|

De vijf
theorieën
Kurth stelt in
zijn theorie (?,?) dat de taalgrens, zoals we ze nu kennen, teruggaat
tot de periode van de Germaanse invallen vanaf de 4de eeuw. Volgens de
dynamische theorie van Petri hebben de Franken zich massaal gevestigd
tussen de Somme en de Leie maar werden ze naderhand door een romaans
'cultureel tegenoffensief'' teruggedrongen totdat in de laat-Frankische
tijd de huidige taalgrens werd gevormd. De Gentse historici Verlinden en
Dhondt werkten de historische theorie uit. De Salische Franken, weinig
talrijk in aantal, veroverden onze streken en gingen al spoedig op in de
plaatselijke gallo-romeinse populatie waar deze talrijk aanwezig was.
Enkel in het noorden van ons land, onvruchtbaar en weinig bevolkt,
konden zij zich handhaven. Van de hand van Gysseling tenslotte is de
linguïstische theorie: na de romanisatie van Gans België is, na de
Frankische kolonisatie van de 5de eeuw, de taalgrens geleidelijk
ontstaan in de daaropvolgende 6de en 7de eeuw.
Welke taal
spraken onze voorouders ?
Er bestond ooit
een oertaal (het Indo-Europees), waarvan men de bakermat situeert rond
de Zwarte Zee. Van daaruit verspreidden zich landbouwers en herders over
het Nabije Oosten en Europa. De eerste nederzettingen in België dateren
van 5500-5300 vóór Xus (Haspengouw, Noord-Babant, Henegouwen). In een
tweede fase kwamen landbouwers vanuit noord-Frankrijk naar het
zuid-westen van België.
Tot 200 vóór Xus sprak men in onze streek een variant
van de Indo-Europese taal, die men nu 'het Belgisch' noemt.
Ondertussen hadden de Germanen noordelijk Gallië en de Kelten
zuidelijk Gallië gekoloniseerd.
Met de verovering door Caesar wordt ons land in de
daaropvolgende eeuwen geromaniseerd. Het is in deze gallo-romeinse
periode dat een Germaans-Romaanse taalgrens ontstaat. Een taalgrens, die
aan sterke beweging onderhevig blijft.
Die continu
fluctuerende taalgrens maakt dat er tal van Romaanse toponiemen in onze
streek voorkomen.

'Zuid-Oostvlaenders' is de
benaming, die Isidoor Teirlinck
*
gaf aan het dialect van de
streek waarin hij opgroeide, en waarvan zijn geboortedorp (Zegelsem)
- naar zijn zeggen - 'het middelpunt' was. Zijn 'Zuid-Oostvlaandersch
Idioticon' groeide in de decennia vóór de voorlaatste
eeuwwisseling woord voor woord, zin voor zin, uit de
herinnering van de schrijver, maar ook en vooral uit de vele
wandelingen, die Isidoor samen met Omer Wattez in de
vakantieweken maakt doorheen zijn geboortestreek. Zijn
verzameling briefjes en nota's is in 1903 (Isidoor is dan 52
jaar) uitgegroeid uit tot een lijvig manuscript, dat tussen
1905 en 1922 in diverse delen wordt uitgegeven. Zijn 'Zuid-Oostvlaandersch
Idioticon' (2 delen) is aldus een turf van meer dan 1300
blzen geworden.

aalkuipe
aamvijle
aanbeeld
aandjakken
aandragen
aaneenbronselen/aaneenbroddelen/aaneenfoefelen
aaneenzijn/aaneenvallen
aanfribbelen
aanfruten
aangeborentheid
'het
riekt dor a'gebrand' =
'de
pot, de pap es a'gebrand' =
aangedaan
"hie es
vies a'gedaan"
aangeen
aangejaagd
aangraken
aanhauwn
aanhen
aanhullen
aankneutseln
aankommeling
aa'kommen
aankootern
aanlaadsele



|
|
* Isidoor
Teirlinck (1851-1934), zoon van de dorpssmid te Zegelsem,
groeide op in een groot gezin waarvan 8 kinderen in leven
bleven. Door zijn opleiding leek hij voorbestemd tot
dorpsonderwijzer, maar hij bezat nog vele, andere wapenen.
Zo op het vlak van letterkunde, dat van folklore, der
toponomie en ... der dialecten.
Van de woordenboeken waarin vóór de eerste wereldoorlog de
woordenschat van onze Vlaamse dialecten werd opgetekend, is
dat van Isidoor Teirlinck de hekkensluiter. Zowat al die
vooroorlogse woordverzamelingen heten Idioticon; de
benaming Idioticon stamt uit het Duits (18de eeuw) en is
afgeleid van het Griekse woord 'Idios' = eigen(aardig) (zie
ook het Middelnederlands 'ydioot' = ongeletterd persoon). Na
de eerste wereldoorlog raakte 'idioticon' als benaming van
'dialectwoordenboek' uit de mode.
|

|
|


- kleem = leem, klei
- potaarde of levere = zware, kleverige grond
- more = modder
- na zware regenval ligt de grond versla(g)en,
toegesmakt, toegekoekt,
(h)ard of stijf.
- goe(d)e grond = vruchtbare grond
- slechte grond = onvruchtbare grond
- nen tolk = een aardkluit
ne kneut = "
nen bol =
"
-
een aare = de plaats waar uit de grondlaag water opwelt
-
kwelme = onstabiele ondergrond
-
ijzermaal = aarde, vermengd met ijzerhoudende bestanddelen
-
schurreke(n)stn = dagzomende veldstenen
|

-
het akkerbouwland: kouterland of koutere/kouters genoemd
- het akkerperceel:
- koutere = akker
- een partije of een stik land = een perceel
- nen blok land = een groot en mooi perceel
- een lange voore = een langwerpig perceel
- een bijl = een L-vormig perceel
- een (drij)hoek = een 3-hoekig perceel

- een geerakker = een schuin toelopend of onregelmatig gevormd stuk
land. [Etym. 'geer' = Germ. 'Gaizan' (= een spits toelopend stuk land)]
De bewerking van een geerakker gebeurt op een vrij omslachtige manier:
i.p.v. 2 wendakkers (fig.1) heeft een geerakker er 3 (fig.2).
Een geerakker wordt 'den (h)aaiend' of 'den (h)aaibek' genoemd; men
gewaagt van ' 't is (h)aai in' of '(h)aai'.
- de wendakker: wordt '
't veurende' (= het voorste e(i)nde of deel van
de akker) genoemd.
|

- de toegangsweg tot een akker wordt 'de bru(gg)e', 'd'opree' of '
't
mennegat' genoemd.
- de gangbare landmaten zijn: - lengtematen: 'de voet' = 0.2772m
'de roe(de)' = 20 voeten of ca. 6 stappen = 5,544m
-
oppervlaktematen: 'de vierkante roe(d)e' = 400 vierkante voeten =
30,7456 ca
'den buundere' = 400 vierkante roe(d)en = 1 ha 22a 98ca
'het dagwand' = 100 vierkante roe(d)en = 1/4 buundere = 0,307456 ha.


- de stalmest: 't mes(t) = de stalmest
de messink = de kuil waarin de mest wordt bewaard
de mes(t)spoele = de gier of het mestwater
de mes(t)kerre = de mestwagen
de mes(t)(h)aak = de riek met lange steel en gekromde tanden waarmee men
mest van de kar trekt
de mes(t)riek = de riek waarmee men de mest op het land openspreidt. - het openspreiden van de mest wordt genoemd 'bree(d)en' of
'ope(n)smijten' of 'schutten' - de beer is overla 'de zeeke'
- de 'zeekputte' = de beerput. Vooraleer men begint uit te pompen, wordt
bezinksel opgeroerd met de 'zeekroerdre' (= een ca. 3m lange stok,
waaraan een houten
of ijzeren plaat is vastgehecht)
- Het vervoer van de beer naar de akker
gebeurt met " 't zeekstik" (zo genoemd naar de ton die erop ligt).
Onder de beerton op de kar legt men "ne walme" (een bundeltje stro om
zware schokken op te vangen)
- de 'zeekkuipe' = de ton, die men op een kruiwagen plaatst en waarmee
tuinders de beer naar het land "voeren" (= brengen).
- de beerlepel, gebruikt bij het manueel openspreiden van de beer, noemt
men "de zeeklepele" of "de zeekschotele". - de kunstmest noemt men " 't strooisele" of " 't vet"

- 'omrijden' of 'labeuren'
= het ploegen - 'omstorten' = ondiep ploegen - 'diepvoren' = diep ploegen
 - de éénscharige ploeg (voetseploeg) = 'voetsieploeg' of 'enkele ploeg' - de tweescharige (verriesterbare) ploeg = 'dubbele ploeg', 'den
brabandere', 'de wentelploege', 'de ploeg'. - de meerscharige ploeg (achter de traktor) = 'trakteurploeg' - de benaming voor de beide beugels voor het richten van de ploeg (om ze
diep of ondiep te laten ploegen) = de 'kop', 'den (h)angele' of
'de schaakele' voor de breedtebeugel; 'de schaakele', 'den (h)aak' en
'den (h)angele' voor de dieptebeugel. - de trekketting van de breedtebeugel wordt bevestigd d.m.v. een zware
pinvormige nagel, ' 't steksken' ; de dieptebeugel wordt over de
ploegbalk geschoven en eraan vastgeklonken met een ijzeren hamertje 'de
marteel' (Picardisch 'martel, Fr. 'marteau').

- de houten, 3-hoekige eg met 15 tanden noemt men ' d' ede'. - eerst wordt de akker 'gesleept' (= werken met de eg langs de zijde met
de kortste tanden. - 'E(d)en' of 'optrekken' = het land bewerken met de lange tanden. - de ijzeren eg = 'de pinede'. - 'de rolle' (een ijzeren, zware pletrol) wordt gebruikt als het land
bijzonder '(h)ard ligt'. Het land wordt 'gerold'.

- de spade wordt overal 'de spaa(de)' genoemd. - de schop noemt men 'een schippe'. - de spade van een grondwerker wordt 'de travouspaa(de)' of
'd'aardestekersspaa(de)' genoemd , of 'de boomspaa(de)', 'de
ruifelspaa(de), 'de terrasssiersspaa(de)'. - Er zijn twee manieren van omspitten:
1. 'in het spet of splet graven' ('sp(l)et' = spitsvoor): hierbij staat
de graver in de spitvoor, neemt de aarde steeds weg aan dezelfde kant en
gaat zo achterwaarts verder - op deze wijze tratpt men de aarde
nooit hard. 2. 'het gewone (om)graaven': de spitter staat vóór de spitvoor en graaft
van links naar rechts of omgekeerd, t.t.z. zoals hij 'ge(h)and' is. Hij
'pakt de steken', keert ze om en deponeert ze aan de overzijde van de
spitvoor ( 'een steke' = een spadevol aarde).


- wordt meestal gedaan
in ' 't achterwaar(t)s jaar' = de herfst.
- als men met de hand
zaait, neemt men met de rechterhand het zaad uit ' 't zaaikleed' =
een linnen schort, die aan de linkerarm van de zaaier is vastgemaakt
- de gewassen die voor de winter worden
gezaaid, zijn: 'de ro(gg)e', de 'winterge(r)ste' (of 'schokkeloen'), 'de
wintertarwe' en de 'mes(t)eluin' (Lat. Mixtellum = een
mengeling van tarwe en rogge).
- de lente = 'den uitkomenden',
het seizoen voor het zaaien van de rest der gewassen, zoals 'de
zomerge(r)ste', de 'zomertarwe', 'd'(h)aavere'
vroeger werd het
onderscheid gemaakt tussen 'pluk(h)aavere' en 'schart(h)aavere'
(plukhaver was haver met klaver ertussen, scharthaver was
haver zonder andere gewassen ertussen).
- de distels worden 'gestoken' met
een speciaal schopje, dat men overal 'de dis(t)elschuppe' noemt.
|
|
 |
a. het pikken met de hand:
- gebeurt middels 2 werktuigen: de zicht in de rechterhand en de mathaak
in de linker.
- 'ne pikkelink' = een met de mathaak bijeengehaald bundeltje
afgemaaid koren.
- de zicht wordt overal 'de pikke' genoemd, de zichtsteel wordt overal
'de pikwerf' ( 'werven' = draaien, keren).
- het handvat wordt 'd'(h)and(h)aake' geheten.
- de lusjes aan de zichtsteel: de lussen 2 en 3 worden ' 't leerken' of
' 't riemken' genoemd.
- de mathaak of welhaak noemt overal 'de pik(h)aak'
- men scherpt de zicht aan met 'de wetsteen' (= strekel) waarna men de
zicht nog enkele malen over de steel van de welhaak strijkt om 'een
zoete sne(d)e' te bekomen.
- de steel van de welhaak heet overal 'de piklatte' (A), de haak 'den (h)aak' (B). |
- het wintergersthok:
- een 'schokkeloenstuik' bevat meestal twaalf
garven. Hij wordt opgesteld in zgn. 'boonstuiken'.
- de korenhokken worden veelal aan de kant van de akker op één rij
geplaatst. De plaats van zo'n rij hokken noemt men de 'stuikrote' of
' 't stuikbedde'.
|
b. het oogsten en het zanten
- de halmen en aren, die niet in schoven verwerkt zitten, worden van het
veld gehaald door ze eerst bijeen te harken met de korenhark, die men de
'kore(n)reeke', ' d'oeks(t)reeke' of 'de slok' noemt.
- Om meer koren op de oogstwagen te kunnen laden, verbreedt men het
ligvlak door er een stel aan elkaar geklonken balken op te leggen. Dit
raam noemt men 'de stellinge' of 'de platte stellinge'
- de opstaande ramen, gebruikt bij het verbreden van de laadruimte van
de kar worden genoemd 'd' (h)ekke(n)s' of de 'stellinge' of '
d'(h)ur(d)e(n)s'.
|
c. het dorsen
1. de dorsschuur
de plaats waar men dorst heet 'de schuurvloer'. 1) de schuurwinkels (A) of tassen (B), aan beide zijden van die
schuurvloer, noemt men 'den tas' of 'de schuurwinkele'. 2) het dorsmuurtje (C), een 1.4m hoog muurtje tussen schuurwinkel en
schuurvloer, waartegen de garven geplaatst worden bij het dorsen, noemt
men ' 't veurslag' of ' 't beslag' of ' 't (schee)muurken'.
|
|
 |
|

|
2. de dorsvlegel
in zijn geheel heet men de 'vle(g)ele' of 'vle(g)ere'
(Lat. 'flagellum' = gesel). De onderdelen van de
vlegel zijn:
a) de steel:
noemt men 'de vle(g)erstaf' of 'de staf'.
b) het oog op de steel wordt ' d'oo(g)e' of 'de rink' geheten.
c) het slaghout noemt men 'de (vlegel)geerd(e)' of 'de klippele', de
'vle(g)ele' of 'vle(g)ere'.
in het slaghout bevinden zich gewoonlijk
twee of drie inkepingen, die dienen om de riempjes vast te houden die de
vlegelkap op het slaghout bevestigen.
die inkepingen noemt men
soms (met een zekere schroom) 'de kerten'
(een 'kerte' is
in zuid-Oost-Vlaanderen ook de benaming van het vrouwelijk
geslachtsdeel, wat die schroom verklaart).
d) de vlegelkap heet men overal 'de kappe'. e) de riempjes die de kap vastmaken aan het slaghout ( soms een dubbel
leren riempje, soms palingvel (bijzonder taai en sterk))
wordt ' 't (h)angsel(e)' of ' 't (h)angzeel' geheten.
de riempjes óp de vlegelkap noemt men ' 't opnaaisele' of 'den
nas(t)elink'. f) de verbinding tussen steel en slaghout:
hiervoor wordt meestal een (dubbel) riempje gebruikt, tenzij te
Dikkele en Meilegem, waar een palingvel (Scheldestreek!) - erg
sterk en taai -gebruikelijk is.
die verbindingsriem noemt men '
't hangsele' of ' 't hangzeel'.
|
d. het zuiveren van het graan
Verloopt nu volledig mechanisch maar vroeger diende het koren
met de hand 'gewand' worden; daarvoor gebruikte men een grote, platte
mand, 'ne wan'. Deze mand was schelpvormig en had twee oren (wan = Lat.
'vanus'). Grotere bedrijven beschikten vanaf de 18de eeuw
echter al over 'ne wanmeulene'; hierbij wordt het ongezuiverde graan in
'den bak' van de molen gegoten. Een tweede persoon draait aan een
molentje, dat aan de binnenzijde van houten windborden is voorzien. Die
windborden zorgen natuurlijk voor de nodige ventilatie. Het molentje is
ook verbonden met een paar ziften, 'de zeven', die continu in beweging
zijn. Deze windborden noemt men ' de zeilen' of 'de blaren'
Om te beletten dat het stoppelland tijdens de wintermaanden te snel zou
verharden en ook om een overwoekering door onkruid te voorkomen, wordt
de akker na de oogst bewerkt met een soort eg, de cultivator, een
ijzeren eg met kromme, half cirkelvormige tanden. D.m.v. een hefboom
kunnen de tanden op en neer worden gelaten, waardoor de diepte kan
geregeld worden. Wordt dit toestel door een traktor voortgetrokken dan
heeft het 4 wielen, wordt dit door een paard getrokken, dan zijn het er
slechts 2.
Deze cultivator heet
'den duvele' of 'de schoepere'. Werken met de cultivator noemt dan ook
'duvelen' of 'schoeperen' of zelden 'struppeteren'.

In heel de streek wordt de aardappel van oudsher
'patottere' of
'pato(dd)ere' genoemd, naar analogie met paatat, dat vermoedelijk
van het Spaanse 'batata' is afgeleid.
Men spreekt van 'patottere' of 'pato(dd)ere'.
Vooraleer de jonge aardappel
kan geplant worden, moet hij eerst 'keesten' (= kiemen op een warme
plaats).
Nadat de jonge aardappel is geplant, wordt hij enkele weken later, als
de jonge plantjes verschijnen, aangeaard. Dit aanaarden noemt men
'(h)ullen', 'aan(h)ullen' of 'aankuilen'.
Dit aanaarden gebeurt met de ploeg of met een soort houweel, de
aanaardhak - bestaande uit 'ne steel' en een rechthoekig ijzeren blad.
Op dit blad zit ' 't huis', waarin de steel gevat zit. De aanaardhak
heet 'd'(h)ouweele' of 'd'(h)ulhouweele'.
Het onkruid tussen de aardappelplantjes wordt verwijderd door het
krabijzer of de schoffel - een kleine hak met korte steel. Dit toestel
heeft verschillende benamingen: 'de braake' of 'den braakere'.
Het aanaarden met de ploeg gebeurt met de binoot met twee kleine
riesters. Mmen noemt hem 'den benoor', 'de benoore' of 'den beer'.
Het rooien van de aardappelplant gebeurt ofwel
manueel of machinaal. Vooraleer gerooid kan worden, moet het
aardappelloof , ' 't patotterkruid', verdroogd zijn.
De aardappelplant noemt men
'den (h)ul' of 'de struik'.
|
|
 |
 |
Manueel gebeurt het rooien
met de aardappellichter, die bestaat uit een steel en een ijzeren haak
met drie tot vier zware, platte tanden, 'de tinken' (hoewel dat aantal
tanden kan variëren zijn dit er in de Zwalmstreek vanwege de zware bodem
meestal slechts drie). De aardappellichter noemt men 'de patooter(h)aak'
of 'den drij(h)aak' of 'den 'drijtand' of 'de pee(h)aak'.
Machinaal gebeurt het rooien
met een tuig dat 'nen uitroe-ere' wordt geheten - getrokken door 2
paarden of een traktor: hierbij wordt de beweging van de wielen via een
as overgebracht op een soort molen met klauwvormige tanden, die er dan
voor zorgen dat de aardappelen uitgerukt worden. Men gebruikt de
woorden 'uitroe-ere' of 'uitro-ere' (van 'uitrooier'). Tegenwoordig
gebeurt het rooien algemeen met de aardappelmachine, getrokken door een
traktor, waarbij de aardappelen meteen ook op zakken worden
gedaan, vandaar de naam 'opzakkere'. Deze machine krijgt de benamingen
'de pato(tt)ermasiene', 'den opzakkere' of 'den opraapere'.


op het veld noemt men de rapen ' 't loof'.
het raapzaad heeft verschillende benamingen, o.a. " 't loofzaad", " 't
raapzaad". Men zegt wel altijd "raapzaad zaaien".
de plantjes van enkele weken oud wieden noemt men " 't loof zetten".

de biet noemt men courant 'een betraave' (Fr. 'Betterave' = beetwortel)
de suikerbiet = 'suikerbetraave'
de grote bietenvork = 'nen betraave(n)riek'
andere als veevoeder geteelde knolgewassen zijn de 'raaptuuten' (= soort
langwerpige raap) en de 'ramenadzen' (= ramenassen, die, al dan niet in
combinatie met mest, als groenbemes-
ting worden ingereden ('i(n)gereen')

- over het 'vlasslijten' bestaat nog een levendige folklore

- de maïs werd in 1969 nog niet op de bodem in de Zwalmstreek gekweekt.
- ook de 'mer(g)koole' was toen nog niet zo ingeburgerd als nu.
|
|

Een perceel graas- of weideland is 'ne mee(r)s' (is in feite hooiland),
dat de laatste 100 jaar het woord 'wee(d)e' heeft verdrongen. De
verzamelnaam voor alle partijen grasland die een landbouwer in zijn
bezit heeft is 'mee(r)schaadze'.
|

- het afspannen van
een partij grasland noemt met 'uitbaal(d)en' (uitbaal(d)en - uitspr.
'uitboul(d)en' - Fr. 'baille' = slagboom).
- de houten en
ijzeren omheiningspaal noemt 'de stijl' of 'de piket' (het woord 'stijl'
komt van het middelnl. 'hecstiel').
- de betonnen
omheiningspaal is 'ne stijl', 'ne mee(r)sstijl' of 'een staake'.
- men heeft diverse
soorten bedrading: gewone (vrij dikke) draad, prikkeldraad of
'eletriekdraad':
gewone draad noemt men 'eff(e)nen draad', 'mee(r)sdraad',
'zinkdraad' of
'ronden draad'.
prikkeldraad is 'piekdraad' of 'pinnendraad'.
- het weidehek, dat open
en toe draait, noemt men overal 'nen draaiboom' of 'een baalde'
('baalde' was vroeger in feite enkel de afsluitbalk, die op
beugels rustte en die men ook nu nog wel sporadisch kan zien in
de streek).
- het 4-armig
draaihekje, dat zich vaak ook naast het gewone toegangshek bevond, noemt
men 'de meul(e)ne', ' 't meuleken', 'den
draaimeul(e)ne', 'den draaigank', ' 't kruisken'.
- vroeger werden de
weiden doorgaans omzoomd door rijen knotwilgen, die erg kenmerkend waren
voor het zuid-Oostvlaamse landschap. Anno 2005 zijn helaas de meeste
knotwilgen verdwenen, wat aantoont dat vele zuid-Oostvlaamse boeren elk
ekologisch besef lijken verloren te hebben. De knotwilg noemde men:
'de treunke' of 'de branke'. Beide
benamingen zijn ontleend uit het romaans: tronk = oud-Fr. 'tronc',
'troncque' - branke = Pic. 'branke' cfr. 'branche'.
Om de 2 à 3 jaar worden de wilgen 'gekuist' (= ontdaan van het
kleine hout, 'het rijshout' dat op 'de kop' van de wilg is gegroeid. Het
snoeihout wordt dan tot 'takkenbossen' samengebonden met
'budzendraad' of 'spinsendraad' (= fijne ijzerdraad). Deze
takkenbossen worden bijeengezet tot een hok, 'd'(h)outmijte'.
De kleine takkenbos 'de budze' of 'de spinse' (
budze = rom. 'bouge'; 'spinse' = waalse 'spincher' = wegsnijden van
dunne takken).
De grote takkenbos noemt men soms 'de mutsaard' - het betreft
hier een takkenbos uit zware stokken en afgekloven hout, 'de
schij(d)ers'. |
 |
- samengroeiend gras rond een koevlaai noemt men 'de
vet(h)ul', 'de vet(h)oop' of 'den (h)oop'.
- de kettingegge, een landbouwwerktuig gebruikt om
molshopen in de weide te slechten, dat bestaat uit een aantal aan elkaar
vastgemaakte schakels, waarop zich pinnen bevinden - het geheel vaak
verwaard met klompen ijzer, wordt 'de keet(e)ne', 'de
mee(r)skeet(e)ne', 'de voddeketen', 'de kloddekeet(e)ne'
('ketene' = de kettingeg; 'de vodden' of 'klodden' van de
kouter zijn de stoppels en wortels van het losgerukte onkruid).
- de halsbeugel
voor grazende koeien en schapen noemde men 'de schielde' of '
't gareel' - zo'n beugel (in essentie een 3-hoekige houten
konstruktie) werd vroeger rond de nek van loslopende, grazende dieren
aangebracht, om te beletten dat ze hun kop door de afrastering zouden
wringen en zo de gewassen op het belendende perceel konden beschadigen).
|


|
Na Sinksen breekt de grote maaitijd aan en worden 'de meersen
g(e)hooid'. Daartoe gebruikt de boer de zeis. Indertijd
maaide men niet enkel het gras maar ook het koren met de zeis
af. Naast de gewone zeis kwam ook 'de boszeis' voor; dit was een
zeis met erg kort lemer, die dan diende om kanten en greppels
van braamstruiken en onkruid gezuiverd te houden. De gewone zeis
heet 'een zeis(e)ne'.
A. De steel - de lengte van een gewone zeissteel bedraagt ca. 1.7m en
was vroeger vervaardigd van een lichte houtsoort, nu meer en meer van
ijzer. De steel wordt algemeen 'de snaarstok' genoemd, soms ook kortweg
'steel'. (A1 op de fig. is 'de beugel').
B. De handvatten - in zuid-Oost-Vlaanderen is de zeis meestal slechts
van één enkel handvat voorzien. Waar er twee zijn dient het bovenste
toch maar om de zeis nog beter in evenwicht te houden. Het onderste is
evenwel onmisbaar: het wordt in de rechterhand gehouden en een geoefend
maaier 'trekt' er als het ware de zeis mee door het gras, de snede van
het blad steeds lichtjes naar de grond gericht. Zwaaien met de zeis is
uit den boze !
Betreffende het handvat spreekt men over '
d'(h)and(h)aake', ' 't (h)andvatsele' of 'de krukkeloen'
- 'krukkeloen' is ook bekend in West-Vlaanderen en
gaat waarschijnlijk terug op het middelnl. 'crucke' (= handvat) en het
rom. stapelsuffix '-illon'.
C. De ring - onderaan op de zeissteel: het is deze ring, die de haak
waarop het lemmer van de zeis uitloopt, aan de steel bevestigt. Men
noemt hem 'de meu(n)sele'. 'Meu(n)sele' is
een rom. ontlening van het Lat. 'manica', Fr. 'manchon'' (=
beschermring, beslagring).
D. De arend - de arend van het zeisblad is de ijzeren haak die d.m.v. de
ring aan de zeissteel wordt bevestigd. Aan de arend zit een pinnetje
vast dat past in een kleine uitholling in de zeissteel. Deze uitholling,
' 't (h)ekelgat' belet dat de lemmer van de zeis zou verschuiven
tijdens het zeisen.
E. Het lemmer - wordt genoemd 'het blad' of 'de zeis(e)ne'.
F. De rug van het lemmer - is de omgeplooide boord ervan die het vallend
gras enigszins in de gewenste richting doet hellen. Wordt 'de bieze'
of ook wel 'de ru(gg)e' genoemd.
G. De hak van het lemmer - het breedste deel dat de grond raakt bij het
maaien, is 'd'(h)iele'.
- het wetten van de zeis met 'de strekel': het wetten
gebeurde vroeger met een 35 cm lange lat waarin putjes waren gemakt om
te verzekeren dat het zand langer aan de strekel bleef kleven - de
strekel werd immers met bevochtigd zand, het zgn. 'wetzand',
bestreken. De maaier had steeds een afgedankte klomp of een zandpot ('een
strijkpot') bij zich. Met 'de strijkklodde', een vod die om
een latje gebonden was, werd het zand op de strekel aangebracht.
- de strekel werd 'de strijkstok' of 'de strijkere'
genoemd - de houten strekel is nu volledig verdrongen door de stenen
strekel, 'de wetsteen'.
- het aanscherpen van het zeislemmer - het
haargerei
Het aanscherpen van het zeislemmer gebeurt met het haarspit en de
haarhamer, die samen het haargerei vormen.
het haarspit is een ijzeren aambeeldje waarvan de kop ofwel plat, ofwel
scherp kan zijn. De platte kop is 'het Engelse' type, de scherpe kop
'het Franse' type. De kop noemt men 'de kroone'. Het haarspit wordt
genoemd 'd' haarstekke' of ' 't haarijzer'.
het haargerei heet
' 't (h)aargetouwe' of 'd'(h)aarstekke'.
het aanscherpen van het zeislemmer noemt men
'(h)aaren' of 'kloppen'.
|

|

Onmiddellijk na het maaien begint men het hooi open te spreiden met de
hooivork. De hooivork, een soort riek met twee i.p.v. vier tanden, wordt
'de vuirke', 'de vorke', 'de gaff(e)le' of 'de spriet' genoemd
('gaff(e)le' = Germ. cfr. gapen; 'vorke/vuirke' = Pikard. cfr. Lat.
'furca').
Eerst wordt het hooi de eerste dagen 's avonds in kleine hoopjes
samengeplaatst. Zo'n hoopje noemt men overal 'nen (h)uikelink'. Als het
hooi voldoende droog is, wordt het binnengezet in een grotere hooiberg,
die men 'nen uppere' of 'nen oppere' noemt.
Tegenwoordig zet men het hooi te drogen op een stel houten stokken. Men
zegt dat het 'op ruiters staat'. Het houten droogrek heet men 'de
ruitere' of (zeldzaam) 'de ruikere'.
Er is ook een derde soort hooiberg, die het midden houdt tussen 'nen
uppere' en 'nen (h)uikelink'; die wordt 'de sleepuppere' of
'de
slietoppere'.
Het hooi wordt tenslotte op de hooizolder, die zich gewoonlijk boven de
stallen bevindt, opgestapeld of 'getast'. Deze hooizolder noemt men
'de
delte', 'den (h)ooischelf' of kortweg 'de schelf'.
( delte = dilte =
hilte cfr. Germ. 'helba' = stellage; schelf = cfr. Eng. 'shelf' = plank)
|


Het houten raam,
vastgemaakt aan de muur t.h.v. de kop van het paard, waaruit de paarden
het stro of gras of klaver naar zich toe trekken - de ruif dus - noemt
men 'den des(t)elier' of 'den des(t)ereel'
(Fr. 'ratelier' = krib,
ruif).
De balk, die de paarden
op stal van elkaar scheidt, noemt men 'de sliete', 'de baalde', 'de
slie' of ' 't gescheed'.

Het paardetuig in zijn
geheel wordt ' d'(h)arnassure' genoemd. Het bestaat uit drie delen: he
hoofdstel, het halsjuk en de rompbekleding.

De rompbekleding bestaat uit (a)
'de krepier' , (b) 'de bassen' , (c) 'de ru(gg)riem'
, (d) 'de buikriem' , (e) 'de strengen'.
Wanneer het paard voor
een 'treemkar' wordt gespannen, bestaat de
rompbekleding uit (a) 'de geiden' (= 2 teugels), (b) ' 't kussen' of
'de
zaa(de)le', (c) 'den dossier', (d) 'de reemoo(g)en', (e) 'de
broek', (f) 'den broekriem' of 'de broekketene'.
|
a. de eerste trekknuppel wordt genoemd ' 't (h)aamschijd' of '
't (h)aamschij'; (haam = wat bij een trekjuk hoort, schij(d) =
een lang en dik stuk hout, ontstaan door klieven (cfr. scheiden)
b. de tweede
trekknuppel: wil men een kar of een wagen, met zware vracht
geladen, laten trekken door twee paarden, dan maakt men gebruik
van twee kleine trekknuppels in combinatie met één grote; de
grote trekknuppel
c.
de grote (= tweede) trekknuppel noemt 'de zwinge'
(Middelnl.
'swinghen' = zwaaien, slingeren).
Bij het werken met 2 dieren ontvangt echter
slechts één dier de bevelen ( het '(h)andpaard'); het wordt links
ingespannen. Men leidt dit dier aan 'het kordeel'. De teugel van het
tweede trekdier heet 'verlegkordeel' of 'roe(de)kordeel' (het is
doorgaans rechtstreeks aan de trekknuppel bevestigd). Het tweede
trekdier wordt 'het roe(de)paard' genoemd.
d. de derde trekknuppel wordt noodgedwongen gebruikt als men
drie paarden tegelijk wil inspannen. Dan heeft men 3 eerste
trekknuppels, 1 tweede en 1 derde. De derde trekknuppel wordt
genoemd 'de der(d)elei' of ' 't der'(h)arnas'.

In de Zwalmstreek algemeen geeft men volgende bevelen:
- "juu" + korte ruk = vooruit
- "juirt" + zacht trekken naar links = links
- "tuuk" + korte rukjes naar rechts = rechts
- "achtúúr" + trekken = achteruit
- "hou" = halt |
|

|
|