INLEIDING ONDERWIJS GESCHIEDENIS DE GEBOUWEN BEKENDE MENSEN DE EEUWELINGEN DE AMBACHTEN DE CULTUUR BIBLIOGRAFIE

DE MENS IN DE ZWALMSTREEK

 

De menselijke evolutie

De algemeen aanvaarde voorvader van de huidige mens is de Australopithecus. Er zijn daarvan 3 varianten: de Afarensis (4 à 3 miljoen jaar geleden), die tussen de 3 à 2 miljoen jaar terug evolueert tot de Africanus (3 à 2 miljoen jaar terug) en de Robustus (2,2 tot 1 miljoen jaar terug) - om onbekende reden sterft de laatste tak rond 1 miljoen jaar geleden af.
De Africanus is de vader van 2 evolutie-lijnen: de Austrlopithecus-lijn en de Homo-lijn.

De Homo-lijn kent als eerste vertegenwoordiger de Homo Habilis (2 - 1,5 miljoen jaar). ---> Homo erectus
                                                                                                                                                                   ---> Homo Sapiens ----> Homo Sapiens neanderthalensis
                                                                                                                                                                                                       ----> Homo Sapiens sapiens

De Homo Sapiens sapiens

Vanaf 35.000 jaar geleden. Hij heeft een minder robuust skelet (met een lengte van ca 1,80m, een hoge, lange en mooi afgeronde schedel (met gemiddeld 1.360 cm3 inhoud),  met hoog vertikaal voorhoofd, een vlak gelaat en duidelijke kin, kleine tanden.
 


De oudste sporen van menselijke aanwezigheid in zuid-Oost-Vlaanderen gaan, voor zover wij momenteel mogen concluderen uit (recente) opgravingen, terug tot het midden-Paleolithicum.

De ontdekking van twee Mousteriaan-openluchtsites (Kluisberg, Aalter) bewijst dat ook de noordelijke regio's, ondanks het gure klimaat en het weinig herbergzame landschap, door de paleolithische mens aangedaan werden; bij de huidige stand van het onderzoek is het echter nog niet duidelijk of de doortocht van de mens hier occasioneel of eerder regelmatig, zelfs seizoensgebonden heeft plaatsgehad. De enorme hoeveelheid gevonden geïmporteerde vuursteen op de site van de Kluisberg pleit voor herhaalde bezoeken aan deze kampsite. Het is niet denkbeeldig dat bij strengere controle van diepe graafwerken het aantal paleolithische vindplaatsen in onze provincie aanzienlijk zou toenemen.

Aansluitend bij de bevindingen die men heeft gedaan in zuidelijk België (M.Otte, 1984) kan men nu al stellen dat ook ons Vlaamse landsgedeelte gedurende een belangrijk deel van het laat-Paleolithicum - en meer bepaald tussen 24.000 en 13.000 v. Ch. - een hiaat in het menselijk verblijf (bewoning?) heeft gekend, vermoedelijk onder invloed van het strenge klimaat van het Boven-Pleniglaciaal.

Met uitzondering van enkele Aurignaciaan-vondsten op de Kluisberg, ontbreekt elk spoor van het Perigordiaan, het Solutreaan en het Magdaleniaan. Pas vanaf het Tardiglaciaal lijkt de pehistorische mens zich weer tot onze streek aangetrokken te hebben gevoeld. Op diverse plaatsen (Maldegem, Kluisberg, Gent) zijn immers restanten van het Creswello-Hamburgiaan aangetroffen, een culturele stroming die ongeveer gelijktijdig met het Magdaleniaan in noord-west-Europa voorkwam en die vermoedelijk aan de grondslag van het Tsjongeriaan lag.

De grote dichtheid van mesolitische vindplaatsen in onze provincie getuigt ongetwijfeld van een belangrijke bevolkingstoename vanaf de vroegste fazen van de midden-Steenijd, vooral in het zandige noorden. In ons zuidelijk heuvelgebied vindt men dergelijke sites op de zandige tertiaire heuveltoppen en in de valleien.

Ondanks het nog beperkte bodemonderzoek kan men toch het bestaan van diverse 'mesolitische nederzettingstypes' onderscheiden. In een eerste fase kan men de sites groeperen ngl. hun omvang en de verspreiding van hun artefacten: een eerste type groepeert de sites van geringe tot middelgrote omvang met een artefacten-densiteit van ca. 1500-2000 exemplaren. Een tweede type omvat de sites van grote omvang: hieronder valt (tot nu toe) enkel Verrebroek te rekenen, waar, bij opgravingen over een oppervlakte van ca. 130 m2, ruim 7000 artefacten ingezameld zijn.

De vindplaatsen van het eerste type konden we verder opsplitsen; daarbij werd een onderscheid gemaakt tussen:
     - sites met een duidelijke dominantie van één bepaald werktuigtype (Oudenaarde, Ronse);
     - sites waar vrijwel alle traditionele werktuigen werden aangetroffen (Vinderhoutte);
     - sites met een laag percentage werktuigen in toch talrijke kernen (Kruishoutem)

De vroegste sporen van neolithisatie in Oost-Vlaanderen dateren uit het vroeg-Neolithicum. Waarschijnlijk duiden de tot nu toe gedane vondsten op contacten tussen de inheemse (post-)mesolithische bevolkingsgroepjes en ingeweken neolithische boeren.

Vanaf het midden-Neolithicum lijkt het zuidelijke deel van Oost-Vlaanderen, met het verschijnen van de Michelsbergcultuur, verregaand geneolithiseerd. De eerste landbouwers-veetelers vestigden zich bij voorkeur op vooruitspringende en dominerende heuveltoppen, vaak op plaatsen die al in het mesolthicum door de mens waren aangedaan.

De manier waarop de overgang van Midden- naar Laat-Neolithicum zich in onze streek heeft voltrokken, blijft vooralsnog onduidelijk, wegens het ontbreken van concrete sporen van de (noord-Franse) Seine-Oise-Marne-cultuur en/of de (Nederlandse) Vlaardingencultuur.  Over de aanwezigheid van de Klokbekercultuur zijn wij beter ingelicht - recent kwamen nog fragmenten van klokbekerwaar aan het licht op 'Galgeveld' te Kruishoutem. Behalve nederzettingssporen (Oudenaarde, Aalter) werd ook een brandgraf gevonden te Kruishoutem, dat ons enigszins inlicht over het toen geldende begrafenisritueel.
 

De oudste sporen van menselijke bewoning in de Zwalmstreek dateren van ca. vijf- tot zevenduizend jaar geleden.

In mei 1950 werden door de h. Victor Morre (Opbrakel) op zijn akker de Lindekouter aan de Leinstraat inderdaad twee gepolijste silexbijltjes opgedolven. Het eerste exemplaar was ongeschonden en zwartbruin van kleur, de andere vondst is slechts een fragment – het deel met de snede – en is lichtbruin. "Deze vondsten", aldus Paul Baguet, die er in het lokale heemkundetijdschrift ‘Triverius’ over rapporteert, "wijzen erop dat er tussen 5000 en 10.000 jaar geleden reeds mensen woonden in de omgeving van de huidige Leinstraat".

Allicht een juiste conclusie, gezien rond 7000 vóór Xus de eerste zgn. ‘neolithische gemeenschappen’ opduiken – deze gemeenschappen waren mensengroepen die keramiek en gepolijste stenen bijlen vervaardigden en leefden van landbouw en veeteelt. In de Zwalmstreek werden echter tot op heden niet zoveel vondsten van deze aard gedaan, vermits de streek daarvoor in die tijden nog te zeer overstroomd en bebost was om geschikt te zijn voor een sedentair bestaan. Alleszins wijzen de bijltjes erop dat er toen al menselijke bewoning in de streek was.
Ook voor het verste Zwalms verleden, de oudste menselijke geschiedenis van onze gemeente, beschikken wij slechts over de bodemvondsten en het toponymisch materiaal. Plaatsen van prehistorische vondsten, die op een heel vroege bewoning wijzen zijn o.a.
Roborst(?) en Meilegem.

Het Paleolithicum

Van de bewoning- en kolonisatiegeschiedenis tijdens en vóór de Würmijstijd is bijzonder weinig bekend;een aantal silex-artefacten (schrabbers, vuistbijlen, lanspunten) werden gevonden op de hoge heuvelkam 'Kluisberg-Levierenbos' en betekenen wellicht dat daar tijdelijke kampementen waren van nomadische jagers, die de seizoenale migratie van hun wildprooien volgden.
De archeologica van gebeurlijke nederzettingen liggen bovendien bedolven, althans aan de rand van onze Scheldevalleien, onder een meters dikke laag alluvium, colluvium of eolisch sediment en zullen slechts bij toeval, t.g.v. diepere graafwerken worden gevonden.
Men vermoedt echter, dat er gedurende het Paleolithicum zeer weinig permanente woonkernen in de Vlaamse Ardennen waren.
       
Het oudste spoor van een menselijke activiteit op het grondgebied van ZWALM is door C. Rommelaere en zijn team aangetroffen op de westelijke helling van de heuvelrug van Meilegem. Een kern in grijze silex kan wegens zijn fysische toestand in het Paleolithicum worden geplaatst (identificatie J.Vanmoerkerke). Het oppervlak van het artefact vertoont immers een sterke 'eolische glans', die oude vorstbreuken overdekt. Deze vondst laat vermoeden dat het gebied reeds tijdens de ijstijden, mogelijks zeer occasioneel, door groepen van jagers werd bezocht. Aangezien het een kern betreft, zou men kunnen veronderstellen dat zij ook stenen werktuigen vervaardigden. Dit gegeven moet echter liefst nog door nieuwe vondsten bevestigd worden.

Het Mesolithicum

Het begin van het Mesolithicum hangt samen met de definitieve opwarming van  het klimaat, waarbij het open toendralandschap evolueert naar een gemengd Atlantisch loofwoud met een eigen fauna en flora. De fauna ging toen bestaan uit snelle dieren zoals edelhert, oerrund, everzwijn, haas) en de mens moest aangepaste jachtwapens en -technieken aanwenden om deze prooien vanop afstand te kunnen treffen. Typische microlieten uit deze tijd zijn pijl- en speerpunten. Verder is de bevolking voor voeding aangewezen op visvangst en verzamelen van vruchten.   
Enkele schaarse silex-artefacten lijken erop te wijzen dat tijdens het Mesolithicum in het door Rommelaere geprospecteerde gebied jagers-verzamelaars vertoefden. Het gevonden materiaal is echter vrij atypisch en enkele microlithische werktuigen zoals bvb. driehoeken, segmenten, trapezia en spitsen ontbreken. Men mag dan ook niet uitsluiten dat bepaalde van deze vondsten eerder in het epi-Paleolithicum te plaatsen zijn.

p.39

Het Neolithicum/de Metaaltijden

Heel wat meer vondsten (o.a. op een zeer gunstig gelegen kleine hoogte langs de Schelde te Nederzwalm (Nz 27)) kunnen in het Neolithicum/vroege Bronstijd geplaatst worden: frequent komen fragmenten voor van gepolijste bijlen of verwante werktuigen in silex. Enkele pijlpunten en een vuurstenen sikkel zijn eveneens duidelijke aanwijzingen voor menselijke aanwezigheid hier in deze periode. In het Neolithicum werd dus waarschijnlijk een begin gemaakt met de aantasting van de natuurlijke vegetatie, wat later de erosie van het zandleemdek op de hellingen in de hand zou werken.

De Gallo-Romeinse tijd

Het gallo-romeinse vondstenmateriaal is vrij goed vertegenwoordigd. Het dient geplaatst te worden in het kader van de (talrijke) agrarische ontginningen die er kwamen op de vruchtbare zandleemgronden rond belangrijke administratieve, economische en religieuze centra, zoals bijvb. ook Velzeke er één was.

De Frankische tijd

De aanwezigheid van een belangrijke necropool op het grondgebied van Beerlegem wijst op Merovingische aanwezigheid daar.

De middeleeuwen

De occupatie in de volle middeleeuwen wordt vooral aangetoond door de aanwezigheid van scherven ceramiek van het 'type Pingsdorf'. Vanaf de middeleeuwen verdween door het ingrijpen van de mens de natuurlijke beschermende vegetatie, waardoor de erosie vrij spel kreeg op het zandleemdek, zodat belangrijke pakketten alluvium (= afzettingen van na het Pleistoceen of Diluvium) en colluvium (= door afspoeling in beekvalleien neergezette leemgrond) in de beekvalleien en aan de voet van de hellingen afgezet werden.

 
 

Laatst bijgewerkt zaterdag 14 november 2009

Terug naar       
Mijn Homepage  Homepage Zwalm  Homepage Munkzwalm