BEERLEGEM DIKKELE HERMELGEM HUNDELGEM MEILEGEM MUNKZWALM NEDERZWALM PAULATEM ROBORST ROZEBEKE St-BLASIUS-BOEKEL ST-DENIJS-BOEKEL St-MARIA-LATEM WIJLEGEM DE ZWALMSTREEK HOMEPAGE ZWALM VLAAMSE ARDENNEN


DE VLAAMSE ARDENNEN

ZWALM

HOREBEKE

ZOTTEGEM

BRAKEL

RONSE

MAARKEDAL-SCHORISSE

GERAARDSBERGEN
 


OMER WATTEZ

De Stichting Omer Wattez

Het Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen

Bosgroep Vlaamse Ardennen

LIGGING

WIE BEDACHT DE NAAM ‘VLAAMSE ARDENNEN’ ?

 
Omer Wattez bestempelen als dé ontdekker van de streek zou misschien wel onrecht aandoen aan ene Pol De Mont – een letter- en volkskundige uit Roosdaal, weliswaar minder bekend dan Wattez. De Mont was wel meer gericht op de streek van het Ninoofse, terwijl Wattez vol gevoel dan weer het gebied Oudenaarde-Ronse-Geraardsbergen beschreef.
 
De alom gekende volkskundige Renaat Van Der Linden zette indertijd volgende bedenkingen op een rijtje:
- Tweemaal verwees Omer Wattez in zijn boek ‘De Vlaamsche Ardennen’ naar het feit dat hij, en niemand anders de streek met de glooiende hellingen en beboste heuvels een naam heeft gegeven. Hij heeft immers de naam ‘Vlaamse Ardennen’ gebruikt in zijn opstel ‘Lentefantazij’, gepubliceerd in 1889: "Een driedubbel hoezee voor onze Vlaamsche Ardennen! Daar hebben wij toen ons schoone Vlaamsche land met dien naam gedoopt, die hier zo uitstekend past…". Een jaar nadien vermeldt hij die naam opnieuw.
- Pol De Mont daarentegen heeft altijd beweerd dat hij de inspiratie voor die naam leverde tijdens een ontmoeting met Omer Wattez – beiden verdedigden de belangen van de Vlamingen in Brussel.
Van zijn bewering werd echter tot hiertoe wel nog geen enkel concreet bewijs gevonden.
 
Een betere naam voor een streek waar de boer de hele dag achter zijn paardengespan de heuvel op- en afliep is hoe dan ook moeilijk denkbaar.

 
Terloops kan hier nog vermeld worden dat in de tachtiger jaren van de vorige eeuw enkele (provinciale) politici nog getracht hebben de benaming
zuid-Oostvlaamse Heuvelland’ ingang te doen vinden (naar analogie met 'Westvlaams Heuvelland’) maar dit is verre van succesvol gebleken.
 

DE GEOLOGISCHE OPBOUW VAN ‘DE VLAAMSE ARDENNEN’





  DE AARDKALENDER

1. DE VORMING VAN DE GEOLOGISCHE SOKKEL IN HET EOCEEN

     Bij de aanvang van het Eoceen – als de op één na oudste ‘episode’ van het Tertiair overspant het Eoceen de tijdsperiode tussen 55 en 35 miljoen jaar geleden – was Vlaanderen volledig door de zee overspoeld. Van de Vlaamse Ardennen was hoegenaamd nog geen sprake. Op de vlakke tot zwak hellende bodem van deze relatief diepe zee vormde zich, waar zich nu het zuiden van Oost-Vlaanderen bevindt, een kleilaag met een dikte van enkele 10-tallen meters. Omdat deze kleilaag in de vorige eeuw voor het eerst nader onderzocht werd in de omgeving van Ieper, noemt men dit lagenpakket het ‘Ieperiaan’.
     Sedimentlogisch is het Ieperiaan een grijsgroene kleilaag die plaatselijk siltig* en zelfs zandig kan zijn. De Ieperiaanzee werd geleidelijk aan minder diep, zodat met het strand in zicht, ook zwaardere zandkorrels werden afgezet.
     Fluctuaties in het zeespiegelniveau waren tijdens het tertiair schering en inslag. De cyclus herhaalde zich tientallen keren en dit ligt aan de basis van het alternerend voorkomen van zand- en kleilagen in de Vlaamse ondergrond.

                     
*Silt is een heel fijne korrel met een diameter tussen 2 en 50 micron.

     Na de Ieperiaanzee kwam de Paniseliaanzee waarin op analoge manier eerst een kleilaag en nadien een zandlaag tot stand kwamen. De dikte van deze Paniseliaanafzettingen is echter beduidend geringer en bedraagt in onze regio hooguit 25 à 30 meter.
     Gedurende het laatste stadium van het Eoceen werd de streek nog minstens tweemaal door de zee overspoeld:
de Lediaanzee en de Bartoniaanzee. De sedimenten hiervan waren hoofdzakelijk van zandige aard.

HET EOCEEN

De top van de Ieperiaanafzettingen helt van ca. 65 m in het zuiden (Ronse) naar ca. 30 m in het noorden (Beneden-Zwalm). Onderaan bestaat de formatie uit ‘Ieperiaan C = klei van Ieper’, quasi ondoorlatend, en plaatselijk meer dan 100 m dik.
Deze Ieperiaanklei was de grondstof voor de productie van baksteen, dakpannen en ander aardewerk.
De Ieperiaanklei is bedekt met een ca. 25 m dikke laag fijn zand, glauconiet- en glimmerhoudend, het ‘Ieperiaan D = klei van Vorst’.

De top van het Paniseliaan, ook de ‘formatie van Gent’ genoemd, is in feite het bovenste lagenpakket van de ‘Ieper Groep’, ligt op ca. +110 m rond Ronse en op ca.+ 70m in het bekken van de Beneden-Zwalm. Het bovenste deel is amper 15m dik. Het bestaat uit een tamelijk fijn, glauconiethoudend zand dat plaatselijk tot zandsteenbanken is verhard. Deze laag ligt in het grootste deel van de Vlaamse Ardennen aan de oppervlakte. Vroeger werd het Paniseliaan ontgonnen als grondstof voor de baksteenindustrie. Omwille van het erg geringe ijzergehalte zijn deze bakstenen bleek van kleur en erg gevoelig voor erosie en verwering. 

De top van Lediaan, dat 10 à 15 meter dik is en nu ‘de formatie van Lede’ wordt genoemd, situeert zich in de hoge heuvelkam ‘Kluisberg-Levierenbos’ op ca.+125 m. Het is een fijn, kalk- en fossielenrijk zand met een typische grijs-gele kleur. In de Vlaamse Ardennen en de Zwalmstreek is de Lediaanzandsteen, alias de Balegemse steen, de meest courante streekeigen bouwsteen.

BALEGEMSE STEEN (lediaanzandsteen)

In het noorden van de Vlaamse Ardennen zitten in het Lediaan een paar zandsteenbanken met veel schelpengruis. Dit bleke, lichtgrijze gesteente werd tot in de jaren 1960-'70 te Balegem ontgonnen. Het is een vrij zacht gesteente, ideaal voor sculpturen. Omdat dit gesteente erg gevoelig is voor aantasting door zure regen geraakte het geleidelijk vervangen door duurzame kalkzandsteen (o.a. uit Ecaussines).

GLAUCONIET

Glauconiet is een groen, waterhoudend K-Mg-Fg-Al-silicaat dat onder de vorm van gelklontjes ter grootte van een zandkorrel op de zeebodem neerslaat. Glauconiet is vermoedelijk van organische oorsprong en van groot belang voor de ouderdomsbepaling van de lagen waarin het voorkomt – Kalium is nl. een radioactief element, waarvan men de halveringstijd kan bepalen. Het zijn de zwellende eigenschappen van glauconietkorrels, die een rol spelen in de grondverglijdingen!

 

2. DE DIESTIAANZEE

Gedurende het Oligoceen waren de Vlaamse Ardennen vasteland - de eerder gevormde Eocene lagen waren dus door rivier- en hellingserosie plaatselijk terug afgebroken en verdwenen.
In het midden van het Mioceen (25-7 miljoen jaar geleden) situeren de Vlaamse Ardennen zich in de strand- en kustzone van de Diestiaanzee: een milieu met heel wat zand- en grindbanken (zand van Diest) . Dit materiaal, geërodeerd in Artesië, de Boulonnais en Weald, werd via de toenmalige rivieren naar zee getransporteerd en vervolgens door zeestromingen parallel met de kustlijn noordoostwaarts meegevoerd; dat is te merken aan de grote hoeveelheid silexkeien, die voorkomen in de krijtformaties die daar dagzomen.
De zandbanken vóór de kust van de Diestiaanzee staken periodiek uit boven het zeeniveau waardoor de zuurstof uit de lucht ongehinderd kon binnendringen in de brede poriën tussen de zandkorrels. De zuurstof oxideerde het ijzer dat vrijkwam bij de verwering van het aanwezige glauconiet en grind en zandkorrels werden aan mekaar gekit, zodat er een vast gesteente ontstond. Dit werd dus de typisch roestkleurige ijzerzandsteen van het Diestiaan.

HET DIESTIAAN IN HET LANDSCHAP

De maximale dikte van de Diestiaanformatie in de Vlaamse Ardennen bedraagt 25 à 30 m. De basis van de laag bevindt zich op 125-130m boven de zeespiegel. De dagzoom van dit Diestiaan komt landschappelijk overeen met de bossen op de heuvelkam 'Kluisberg-Levierenbos', Al in de Ijzertijd en de Gallo-Romeinse tijd werd de bruine ijzerzandsteen ontgonnen voor verwerking in laagovens of als streekeigen bouwmateriaal. Omdat er teveel silicium inzit, bleek het gebruik ten behoeve van de ijzerindustrie minder lonend. Toponymisch verwijst bijvb. de naam 'Mont de Rode' (Rodeberg) nabij het Brakelbos naar de rode verweringskleur van de ijzerhoudende Diestiaansedimenten.

DE DIESTIAANZANDSTEEN

De bruine Diestiaanzandsteen bestaat uit kwartskorrels en geoxideerde glauconietkorrels die tot een coherent gesteente - ook limoniet genoemd - aan mekaar kitten. Terug te vinden in de romaanse architectuur op het platteland - zo in de St.Hermeskerk van Ronse, ondergronds in de oudste muren van de crypte, bovengronds in de gevels van het noordtransept.

3. VAN ZEE NAAR LAND…

Na de Diestiaanzee werden de Vlaamse Ardennen nooit meer door een zee overspoeld. Het in versneld tempo wegebben van de zee in noord-oostelijke richting sinds het Laat-Tertiair was een gevolg van de ‘Alpiene bergvorming’, die in het Mio-Plioceen (20 miljoen jaar geleden) begon en momenteel nog altijd bezig is. De Vlaamse Ardennen zijn echter niet louter door de Alpiene bergvorming 130m opwaarts gestuwd. Het waterpeil van de oceanen lag in het Tertiair gevoelig hoger dan nu, omdat er minder (misschien zelfs géén) water, onder de vorm van sneeuw en ijs op de vastelanden. Het hoogteverschil tussen het waterpeil van onze huidige Noordzee en de Miocene Diestiaanzee is dus zowel door tektonische als door klimatologische factoren beïnvloed geweest.

De overgang van zee naar vasteland was een radicaal keerpunt in de evolutie van ons landschap. De aanbreng van sedimenten en de opbouw van nieuwe aardlagen was voorbij: het geologisch substraat was gevormd !! 

De erosie en reliëfvorming konden beginnen; de wind boetseerde voortaan dat geologisch substraat tot een natuurlandschap. De relatieve hardheid van de diverse lagen (klei, ijzerzandsteen, zand) waren van belang bij het ontstaan van het reliëf. Als gevolg van deze 'differentiële erosie' konden de Vlaamse Ardennen zich ontwikkelen als een heuvelend landschap met smalle heuvelkammen en diep  ingesneden valleien.

NATUURSTEEN ALS STREEKEIGEN BOUWMATERIAAL IN DE VLAAMSE ARDENNEN

De ijzerzandsteen van het Diestiaan, de Balegemse steen van het Lediaan en de veldsteen van het Panesiliaan zijn de drie streekeigen bouwmaterialen van de Vlaamse Ardennen. Ze werden van in de gallo-romeinse tijd tot in de eerste helft van het tweede millennium gebruikt bij de bouw van kerken, kapellen, burchten, kastelen en abdijen.

DIESTIAANZANDSTEEN
     De Diestiaanzandsteen bestaat uit kwartskorrels en geoxideerde glauconiet-korrels die tot een coherent gesteente – ook limoniet genoemd – aan mekaar kitten.

BALEGEMSE STEEN
     In het noorden van de Vlaamse Ardennen steken in het Lediaan enkele dunne zandsteenbanken met vrij veel schelpengruis. Dit bleke, lichtgrijs gesteente is vrij zacht, gevoelig voor verwering en aantasting door zure regen. Dit gesteente werd tot voor kort te Balegem ontgonnen, vandaar de naam.

VELDSTEEN
     Zo wordt de harde, grijsgroene zandsteen uit het Panesiliaan genoemd. De belangrijkste bestanddelen zijn kwartskorrels, glauconiet en fossielgruis. Veldstenen worden vaak op akkers aangetroffen als restmateriaal van weggeërodeerde Panesiliaanlagen, vandaar ook de naam. Meestal is deze veldsteen in de bouw aangewend als recuperatiemateriaal in de onderbouw of sokkel van gebouwen in de romaanse of vroeggotische periode.

DOORNIKSE STEEN
    Dit is een donkergrijze kalksteen van mariene oorsprong uit het Boven-Carboon; de hoofdbestanddelen zijn klei, kalk en fossielresten. In oorsprong is het een soort stinkende kalkmodder of rottingsslijk in een voedsel- en zuurstofarm milieu. Doornikse steen werd vroeger aangewend in de nederzettingen aan de Scheldeoever in de romaanse en vroeggotische tijd.

4. DE VORMING VAN HET RELIËF

Water – zowel oppervlakkig afstromend neerslag- en smeltwater als bronwater – is dé voornaamste agens bij de vorming van het reliëf en het natuurlandschap. Bij oppervlakkige afstroming concentreert water zich in stroomdraden, gaande van minuscule geultjes tot brede stroombeddingen. Stromend water heeft genoeg energie om bodemdeeltjes mee te nemen (erosie), over een zekere afstand mee te voeren (transport) en elders af te zetten (sedimentatie).
Het unieke schouwspel van valleien, hellingen en plateaus die samen het reliëf van de Vlaamse Ardennen vormen is het resultaat van een zeer langdurige rivier- en hellingserosie waarbij de rol van water van doorslaggevend belang is.

a. VALLEIEN EN DALEN

DE SCHELDEVALLEI

Tijdens de Wurmijstijd – de jongste ijstijd tussen 70.000 en 15.000 jaar geleden – daalde het waterniveau van de Noordzee en zo schuurde de Schelde een breed, diep dal uit. Het waterniveau van de Noordzee lag toen een 100-tal meter lager dan nu (want er lag een enorme hoeveelheid water in bevroren toestand op de vastelanden opgeslagen). Als een zeeniveau zich verlaagt, voert zich dat door in het waterniveau van een rivier, die zich in de bodem insnijdt.
In het tweede deel van de Wurmijstijd, wanneer het beduidend droger werd, geraakte de Scheldevallei  geleidelijk terug opgevuld ,eerst met fluviatiele sedimenten (afzettingen tijdens overstromingen der Schelde), later met eolische sedimenten (löss die door de wind massaal vanuit het noorden werden aangevoerd).

De klimatologische omstandigheden tijdens een ijstijd: acht barre, koude wintermaanden met striemende noordenwinden, en zomers met een gemiddelde temperatuur beneden de +10oC(eolisch transport van sedimenten gedurende een ijstijd, massa's sneeuw en ijs op een quasi permanent bevroren bodem, een landschap zonder bomen met hier en daar een schrale dwergstruik en wat mos. M.a.w. de Vlaamse Ardennen waren toen een kaal en monotoon toendralandschap. De zuidgrens van de poolkap reikte van Noord-Engeland tot Noord-Duitsland, dus was de Noordzee in het noorden gebarricadeerd door een muur van ijs. Het nauw van Calais was de verbinding met de Atlantische Oceaan. De toenmalige stromen, w.o. de Schelde en Maas, botsten tegen de ijsmassa en lieten door afname van de watersnelheid hun lading meegevoerde bodemdeeltjes ter plaatse achter. Door de krachtige en droge noordenstormen werden deze bodemdeeltjes terug zuidwaarts geblazen en over de Vlaamse toendra uitgespreid.
Gedurende dit eolisch (= door de wind aangedreven) transport deed er zich ook een natuurlijke sortering voor: de luchtstroom kon immers de lichtste bodemdeeltjes het verst meevoeren, de zwaarste bodempartikels geraakten niet verder dan het noorden van ons land; zo werd Zandig-Vlaanderen gevormd. De lichte leem werd verder geblazen en over het heuvelend reliëf van onze Vlaamse Ardennen uitgestrooid.
Uiteraard trad sinds deze afzetting ook erosie op, zodat de dikte van deze dekmantel van plaats tot plaats verschilt.

Eén en ander bracht met zich mee dat de alluviale vlakte van de Schelde aan het eind van de Wurmijstijd aanzienlijk smaller was geworden. Tijdens het daaropvolgende Holoceen werd dat dal gedeeltelijk opgevuld met veenlagen (= afgestorven organisch materiaal van vegetatie van ter plaatse).

DE ALLUVIALE VLAKTE

Buitendijks bestaat de huidige alluviale vlakte – voor zover ze zoals in de buurt van Oudenaarde niet bebouwd, ontgonnen of tot industriegrond ‘gesaneerd’ werd – uit grasgroene meersen met een hoekig netwerk van grachten en sloten. p.19

HET LAAGTERRAS

Het laagterras – ook wel eens ‘lössterras’ of ‘leemterras’ genoemd – is landschappelijk bijzonder goed ontwikkeld ter hoogte van Welden op de rechter Scheldeoever: een zacht golvende strook met een breedte van 1 tot 1,5 km op een hoogte van 12 tot 16m. p.19

DE SCHELDE

Na het wegebben van de Diestiaanzee werd de Schelde de ‘motor’ die de vorming van het reliëf en het natuurlandschap in de Vlaamse Ardennen regelde. Naarmate de Schelde zich dieper in het geologisch substraat insneed, kwam de regio almaar meer in reliëf te staan. Door indijking heeft de mens deze motor ‘stilgelegd’. Deze aldus gekanaliseerde Schelde bleef echter een rol spelen – als lokalisatiefactor in de nederzettingsgeografie en als transportband bij de economische ontwikkeling.

     1 HET DAL VAN DE MAARKEBEEK

Het stroombekken van de Maarkbeek en de fusiegemeente Maarkedal vormen het geografisch en landschappelijk hart van de Vlaamse Ardennen. Drie gelijkwaardige, parallelle beekstelsels, nl. de Molenbeek, de Pauwelsbeek en de Holbeek, tasten door regressieve erosie de hoge heuvelkam ‘Kluisberg-Levie-renbos’ aan en versnijden op hun beurt de zachte noordhelling van deze heuvelrug in een noord-zuid verloop. Beneden wordt het beekwater a.h.w. verzameld in een afloop – met name de Maarkebeek die van oost naar west naar de Schelde vloeit.

In het stroomgebied van de Maarkebeek ontspringen tientallen bronnen; het voornaamste bronniveau ligt op een hoogte van +75m à +80m, d.i. de overgangszone tussen het kleiig en zandig faciës van het Paniseliaan. Het brongebied en de ravijnvormig ingesneden bovenloop van de Krombeek vormen de kern van het natuurgebied ‘Het Burreken’.

Vrijwel alle dalen hebben een asymmetrisch dwarsprofiel met steile oost- of noordhellingen en veel zachtere west- of zuidhellingen. De voor de landbouw té steile hellingen zijn doorgaans bebost, o.m. het Bos ter Rijst.

DE BRONNEN VAN DE VLAAMSE ARDENNEN

Definitie

Een bron is een plaats waar een geconcentreerde, natuurlijke uitvloeiing van grondwater optreedt, m.a.w. een plaats waar grondwater – met een andere chemische samenstelling dan neerslagwater! – overgaat in oppervlaktewater. Bronwater is uiterst belangrijk in de landschapsgenese van de Vlaamse Ardennen. Als subtiele en natuurlijke levensaders zijn bronnen en hun biotoop heden ten dage uiterst kwetsbare plekken die absoluut geen betreding verdragen.

Bron: 'Geogids Vlaamse Ardennen' GEORETO 1990,  p.27

Het ontstaan van bronnen

In de ontstaansgeschiedenis van een natuurlijk afwateringsstelsel zijn bronnen van essentieel belang. Ze liggen er immers letterlijk aan de oorsprong van. Een groot deel van het neerslagwater spoelt immers niet oppervlakkig af maar dringt in de bodem. Onder de invloed van de zwaartekracht sijpelt het naar beneden tot er een obstakel opduikt. Deze percolatie (= ) verloopt sneller naarmate de bodempartikels grover zijn: grof zand laat het bodemwater vlugger door dan fijn zand en leem. Een voor water quasi ondoordringbare hindernis

Soorten bronnen

1.   Dagzoombronnen zijn bronnen die uitvloeien op plaatsen waar de topografie de top van kleilagen aansnijdt. Doorgaans zijn het kleine bronnen. Komen in onze Vlaamse Ardennen veel voor.

2.   Diffuse bronnen of kwelbronnen: het water vloeit niet op één plaats uit de bodem maar komt op een diffuse wijze aan de oppervlakte; dit is het geval waar de tertiaire lagen ter hoogte van een bronniveau bedekt zijn met een laag leem of zandleem. Dergelijke bronnen vindt men aan de vochtige, moerassige plekken waaruit hellingafwaarts een beekje ontspringt. Bij deze bronnen hoort een typische kalkminnende vegetatie.

3.  Intermittente bronnen zijn bronnen die periodiek droogvallen, vooral in de zomermaanden of langdurige droogteperioden.

4.  Gecultiveerde bronnen zijn bronnen waarrond vroeger een put werd gemetst. Het daarin opgevangen water werd dan via leidingen naar woningen in de buurt afgevoerd. Zo werden in Ronse sommige stadsfonteinen vanaf het begin der 19de eeuw bevoorraad met bronwater uit de hoge heuvelkam 'Kluisberg-Levierenbos'.

5.   Commerciële bronnen zijn bronnen die commercieel worden uitgebaat en mineraal water voortbrengen; zo bvb. de Top-bronnen van Brakel.

     DE ZWALMVALLEI - lees meer

     3 DE OVERIGE VALLEIEN EN BEEKDALEN 

b. DE HEUVELS EN DE INTERFLUVIA

    1. De hoge heuvelkam ‘Kluisberg-Levierenbos’, de W-O georiënteeerde heuvelrug die de ruggegraat van de Vlaamse Ardennen vormt. De afstand tussen de Kluisberg en de Mont de Rode bedraagt 17 km en het profiel van de kamlijn is ondulerend en bestaat uit een opeenvolging van heuvels en zadels. Deze heuvelkam behoort tot de meest erosieve landschappen van gans Vlaanderen en elk ander bodemgebruik dan voor bosvegetatie is uit den boze en zou de erosie alleen maar activeren.
    De voornaamste getuigenheuvels (inhoudelijk getuigen ze van de aanwezigheid ooit van de Diestiaanzee) zijn:

    W  ------>              ------->               ------->                          ------->             ------->  O
    Kluisberg (141m)     Hotondberg (151m)    Muziekberg-Fortuinberg (148m)     Pottelberg (157m)     Mont de Rode (150m)

    2. De heuvelkammen ten oosten van de Schelde: op de orohydrografische kaart profileert zich ten noorden van de hiervoor besproken heuvelkam een lagere O-W gerichte heuvelkam, reikend van het plateau 'Ten Heide'(St-Maria-Oudenhove, Zottegem) tot de Edelareberg (Oudenaarde). Tussenin bevinde zich de Eikenberg, de Kapelleberg en de Varentberg, het plateau van Zegelsem-Elst en het plateau van de Boterhoek (Berendries-Michelbeke-St-Maria-Oudenhove). De hoge heuvelkam 'Kluisberg-Levierenbos' en de heuvelrug 'Edelareberg-St-Maria-Oudenhove' worden onderling verbonden door een van zuid naar noord geleidelijk afhellende kamlijn - aanvankelijk het interfluvium-gebied tussen het Maarkebeek- en het Zwalmbeekbekken. Ter hoogte van Zegelsem wordt dit het waterscheidingsplateau de twee hoofdbeken van het Zwalmbekken, nl. de Perlinck(Peerdestok)beek en de Zwalmbeek. 

    3. Het Schelde-Leie interfluvium - het stukje Vlaamse Ardennen ten westen van de Schelde komt geografisch-landschappelijk overeen met het interfluvium tussen de Schelde en de Leie en toont eigenlijk een verder geëvolueerd erosiestadium van de Vlaamse Ardennen, al vormen de heuveltjes rond Tiegem en Anzegem een uitzondering. De erosie heeft hier al elk spoor van de Lediaan-, Bartoniaan- en Diestiaansedimenten, die ook hier ooit aanwezig waren, weggevaagd.

5. HET KWARTAIRE LEEM- EN ZANDLEEMDEK

Tijdens de laatste Ijstijd (13000-5000 jaar v.Xus) vond een belangrijk feit plaats: naast het wegebben van de Diestiaanzee en het eroderen van sedimenten via het prille rivierstelsel, was er ook de aanvoer van leem en zandleem door... de wind. Daardoor zou de bodem (de bovenste paar meter van het aardoppervlak) ontstaan en later de landbouw mogelijk worden. Die bodem bestond dus niet uit steriele materialen (zand, klei, ijzerzandsteen) maar wel uit vruchtbare leem en zandleem.

Mechanisme
     Het klimaat tijdens een ijstijd: acht barre en koude wintermaanden met striemende noordenwinden met tussenin 'zomers' met een gemiddelde maandtemperatuur onder de +10o C. Massa's sneeuw en ijs op een quasi permanent bevroren bodem, een landschap zonder bomen met hier en daar een schrale dwergstruik en wat mos. Tijdens de laatste ijstijd waren onze Vlaamse Ardennen dus, net als trouwens de rest van ons land, een kaal en monotoon toendralandschap.
(De zuidgrens van de poolkap reikte van noord-Engeland tot noord-Duitsland. De Noordzee was aan de noordzijde gebarricadeerd door een muur van ijs en stond in het zuiden in verbinding met de Atlantische Oceaan via het Nauw van Calais. De west-Europese stromen (Schelde, Maas, Rijn, Elbe,..) botsten tegen de ijsmuur aan en namen in snelheid af. Hun lading meegevoerde bodemdeeltjes lieten zij door de afname van hun stroomsnelheid ter plaatse achter. Het landschap ten zuiden van de poolkap kreeg het uitzicht van een natte zand- en grindwoestijn.
De niet aflatende krachtige noordenstormen (boven de Noordpool heerste een permanent hogedrukgebied) bliezen deze bodempartikels terug zuidwaarts en spreidde ze over de toenmalige Vlaamse toendra uit. Tijdens dit eolisch (= door de wind aangedreven) transport werd er bovendien op een natuurlijke wijze gesorteerd: door de zwaartekracht kon de luchtstroom de lichtste bodempartikels het verst en langst meevoeren, de zwaardere deeltjes (de zandkorrels) werden het eerst afgezet en kwamen niet verder dan het noorden van ons land. Ze vormden zandig-Vlaanderen (de Kempen, het Waasland). De lichte leem werd verder teruggeblazen en met milde hand over het heuvelend reliëf van onze Vlaamse Ardennen uitgespreid.
Sedertdien is er ook erosie opgetreden, waardoor dit kwartaire leem'dek' nu al volledig van de hoogste toppen (heuvelkam Kluisberg-Levierenbos) is weggespoeld, de beekdalen werden ondertussen dik opgevuld met afgespoelde leem, al dan niet vermengd met klei en zand en op de plaatsen waar de tertiaire sedimenten dagzomen, ontstonden onze bossen of werden weiden aangelegd.

Laatste update 23/01/2009

Terug naar       
Mijn Homepage  Homepage Zwalm  Homepage Munkzwalm