|
|
|
||||||
| LIGGING | |||||||
|
|
|
||||||
| WIE BEDACHT DE NAAM ‘VLAAMSE ARDENNEN’ ? | |||||||
|
Omer Wattez bestempelen als dé ontdekker van de streek zou misschien wel onrecht aandoen aan ene Pol De Mont – een letter- en volkskundige uit Roosdaal, weliswaar minder bekend dan Wattez. De Mont was wel meer gericht op de streek van het Ninoofse, terwijl Wattez vol gevoel dan weer het gebied Oudenaarde-Ronse-Geraardsbergen beschreef. De alom gekende volkskundige Renaat Van Der Linden zette indertijd volgende bedenkingen op een rijtje: - Tweemaal verwees Omer Wattez in zijn boek ‘De Vlaamsche Ardennen’ naar het feit dat hij, en niemand anders de streek met de glooiende hellingen en beboste heuvels een naam heeft gegeven. Hij heeft immers de naam ‘Vlaamse Ardennen’ gebruikt in zijn opstel ‘Lentefantazij’, gepubliceerd in 1889: "Een driedubbel hoezee voor onze Vlaamsche Ardennen! Daar hebben wij toen ons schoone Vlaamsche land met dien naam gedoopt, die hier zo uitstekend past…". Een jaar nadien vermeldt hij die naam opnieuw. - Pol De Mont daarentegen heeft altijd beweerd dat hij de inspiratie voor die naam leverde tijdens een ontmoeting met Omer Wattez – beiden verdedigden de belangen van de Vlamingen in Brussel. Van zijn bewering werd echter tot hiertoe wel nog geen enkel concreet bewijs gevonden. Een betere naam voor een streek waar de boer de hele dag achter zijn paardengespan de heuvel op- en afliep is hoe dan ook moeilijk denkbaar. Terloops kan hier nog vermeld worden dat in de tachtiger jaren van de vorige eeuw enkele (provinciale) politici nog getracht hebben de benaming ‘zuid-Oostvlaamse Heuvelland’ ingang te doen vinden (naar analogie met 'Westvlaams Heuvelland’) maar dit is verre van succesvol gebleken. |
|||||||
|
DE GEOLOGISCHE OPBOUW VAN ‘DE VLAAMSE ARDENNEN’ |
|||||||
|
|||||||
|
2. DE DIESTIAANZEE Gedurende het Oligoceen waren de Vlaamse Ardennen vasteland - de eerder gevormde Eocene lagen waren dus door rivier- en hellingserosie plaatselijk terug afgebroken en verdwenen. In het midden van het Mioceen (25-7 miljoen jaar geleden) situeren de Vlaamse Ardennen zich in de strand- en kustzone van de Diestiaanzee: een milieu met heel wat zand- en grindbanken (zand van Diest) . Dit materiaal, geërodeerd in Artesië, de Boulonnais en Weald, werd via de toenmalige rivieren naar zee getransporteerd en vervolgens door zeestromingen parallel met de kustlijn noordoostwaarts meegevoerd; dat is te merken aan de grote hoeveelheid silexkeien, die voorkomen in de krijtformaties die daar dagzomen. De zandbanken vóór de kust van de Diestiaanzee staken periodiek uit boven het zeeniveau waardoor de zuurstof uit de lucht ongehinderd kon binnendringen in de brede poriën tussen de zandkorrels. De zuurstof oxideerde het ijzer dat vrijkwam bij de verwering van het aanwezige glauconiet en grind en zandkorrels werden aan mekaar gekit, zodat er een vast gesteente ontstond. Dit werd dus de typisch roestkleurige ijzerzandsteen van het Diestiaan.
|
|||||||
|
3. VAN ZEE NAAR LAND… de ‘Alpiene bergvorming’, die in het Mio-Plioceen (20 miljoen jaar geleden) begon en momenteel nog altijd bezig is. De Vlaamse Ardennen zijn echter niet louter door de Alpiene bergvorming 130m opwaarts gestuwd. Het waterpeil van de oceanen lag in het Tertiair gevoelig hoger dan nu, omdat er minder (misschien zelfs géén) water, onder de vorm van sneeuw en ijs op de vastelanden. Het hoogteverschil tussen het waterpeil van onze huidige Noordzee en de Miocene Diestiaanzee is dus zowel door tektonische als door klimatologische factoren beïnvloed geweest. De overgang van zee naar vasteland was een radicaal keerpunt in de evolutie van ons landschap. De aanbreng van sedimenten en de opbouw van nieuwe aardlagen was voorbij: het geologisch substraat was gevormd !! De erosie en reliëfvorming konden beginnen; de wind boetseerde voortaan dat geologisch substraat tot een natuurlandschap. De relatieve hardheid van de diverse lagen (klei, ijzerzandsteen, zand) waren van belang bij het ontstaan van het reliëf. Als gevolg van deze 'differentiële erosie' konden de Vlaamse Ardennen zich ontwikkelen als een heuvelend landschap met smalle heuvelkammen en diep ingesneden valleien.
|
|||||||
|
4. DE VORMING VAN HET RELIËF Water – zowel oppervlakkig
afstromend neerslag- en smeltwater als bronwater
– is dé voornaamste agens bij de vorming van het
reliëf en het natuurlandschap. Bij oppervlakkige
afstroming concentreert water zich in
stroomdraden, gaande van minuscule geultjes tot
brede stroombeddingen. Stromend water heeft
genoeg energie om bodemdeeltjes mee te nemen
(erosie), over een zekere afstand mee te
voeren (transport) en elders af te zetten (sedimentatie).
Tijdens de Wurmijstijd – de jongste ijstijd tussen 70.000 en
15.000 jaar geleden – daalde het waterniveau van
de Noordzee en zo schuurde de Schelde een breed,
diep dal uit. Het waterniveau van de Noordzee lag
toen een 100-tal meter lager dan nu (want er lag een
enorme hoeveelheid water in bevroren toestand op de
vastelanden opgeslagen). Als een zeeniveau zich
verlaagt, voert zich dat door in het waterniveau van
een rivier, die zich in de bodem insnijdt. De klimatologische omstandigheden tijdens een ijstijd: acht barre, koude wintermaanden met striemende noordenwinden, en zomers met een gemiddelde temperatuur beneden de +10 oC(eolisch transport van sedimenten gedurende een ijstijd, massa's sneeuw en ijs op een quasi permanent bevroren bodem, een landschap zonder bomen met hier en daar een schrale dwergstruik en wat mos. M.a.w. de Vlaamse Ardennen waren toen een kaal en monotoon toendralandschap. De zuidgrens van de poolkap reikte van Noord-Engeland tot Noord-Duitsland, dus was de Noordzee in het noorden gebarricadeerd door een muur van ijs. Het nauw van Calais was de verbinding met de Atlantische Oceaan. De toenmalige stromen, w.o. de Schelde en Maas, botsten tegen de ijsmassa en lieten door afname van de watersnelheid hun lading meegevoerde bodemdeeltjes ter plaatse achter. Door de krachtige en droge noordenstormen werden deze bodemdeeltjes terug zuidwaarts geblazen en over de Vlaamse toendra uitgespreid.Gedurende dit eolisch (= door de wind aangedreven) transport deed er zich ook een natuurlijke sortering voor: de luchtstroom kon immers de lichtste bodemdeeltjes het verst meevoeren, de zwaarste bodempartikels geraakten niet verder dan het noorden van ons land; zo werd Zandig-Vlaanderen gevormd. De lichte leem werd verder geblazen en over het heuvelend reliëf van onze Vlaamse Ardennen uitgestrooid. Uiteraard trad sinds deze afzetting ook erosie op, zodat de dikte van deze dekmantel van plaats tot plaats verschilt. Eén en ander bracht met zich mee dat de alluviale vlakte van de Schelde aan het eind van de Wurmijstijd aanzienlijk smaller was geworden. Tijdens het daaropvolgende Holoceen werd dat dal gedeeltelijk opgevuld met veenlagen ( = afgestorven organisch materiaal van vegetatie van ter plaatse).DE ALLUVIALE VLAKTE Buitendijks bestaat de huidige alluviale vlakte – voor zover ze zoals in de buurt van Oudenaarde niet bebouwd, ontgonnen of tot industriegrond ‘gesaneerd’ werd – uit grasgroene meersen met een hoekig netwerk van grachten en sloten. p.19 HET LAAGTERRAS Het laagterras – ook wel eens ‘lössterras’ of ‘leemterras’ genoemd – is landschappelijk bijzonder goed ontwikkeld ter hoogte van Welden op de rechter Scheldeoever: een zacht golvende strook met een breedte van 1 tot 1,5 km op een hoogte van 12 tot 16m. p.19 DE SCHELDE Na het wegebben van de Diestiaanzee werd de Schelde de ‘motor’ die de vorming van het reliëf en het natuurlandschap in de Vlaamse Ardennen regelde. Naarmate de Schelde zich dieper in het geologisch substraat insneed, kwam de regio almaar meer in reliëf te staan. Door indijking heeft de mens deze motor ‘stilgelegd’. Deze aldus gekanaliseerde Schelde bleef echter een rol spelen – als lokalisatiefactor in de nederzettingsgeografie en als transportband bij de economische ontwikkeling. HET DAL VAN DE MAARKEBEEK
Definitie Een bron is een plaats waar een geconcentreerde, natuurlijke uitvloeiing van grondwater optreedt, m.a.w. een plaats waar grondwater – met een andere chemische samenstelling dan neerslagwater! – overgaat in oppervlaktewater. Bronwater is uiterst belangrijk in de landschapsgenese van de Vlaamse Ardennen. Als subtiele en natuurlijke levensaders zijn bronnen en hun biotoop heden ten dage uiterst kwetsbare plekken die absoluut geen betreding verdragen.
De hoge heuvelkam ‘Kluisberg-Levierenbos’, de W-O georiënteeerde heuvelrug die de ruggegraat van de Vlaamse Ardennen vormt. De afstand tussen de Kluisberg en de Mont de Rode bedraagt 17 km en het profiel van de kamlijn is ondulerend en bestaat uit een opeenvolging van heuvels en zadels. Deze heuvelkam behoort tot de meest erosieve landschappen van gans Vlaanderen en elk ander bodemgebruik dan voor bosvegetatie is uit den boze en zou de erosie alleen maar activeren. De voornaamste getuigenheuvels (inhoudelijk getuigen ze van de aanwezigheid ooit van de Diestiaanzee) zijn:
W ------> ------->
-------> ------->
-------> O 2. De heuvelkammen ten oosten van de Schelde: op de orohydrografische kaart profileert zich ten noorden van de hiervoor besproken heuvelkam een lagere O-W gerichte heuvelkam, reikend van het plateau 'Ten Heide'(St-Maria-Oudenhove, Zottegem) tot de Edelareberg (Oudenaarde). Tussenin bevinde zich de Eikenberg, de Kapelleberg en de Varentberg, het plateau van Zegelsem-Elst en het plateau van de Boterhoek (Berendries-Michelbeke-St-Maria-Oudenhove). De hoge heuvelkam 'Kluisberg-Levierenbos' en de heuvelrug 'Edelareberg-St-Maria-Oudenhove' worden onderling verbonden door een van zuid naar noord geleidelijk afhellende kamlijn - aanvankelijk het interfluvium-gebied tussen het Maarkebeek- en het Zwalmbeekbekken. Ter hoogte van Zegelsem wordt dit het waterscheidingsplateau de twee hoofdbeken van het Zwalmbekken, nl. de Perlinck(Peerdestok)beek en de Zwalmbeek. 3. Het Schelde-Leie interfluvium - het stukje Vlaamse Ardennen ten westen van de Schelde komt geografisch-landschappelijk overeen met het interfluvium tussen de Schelde en de Leie en toont eigenlijk een verder geëvolueerd erosiestadium van de Vlaamse Ardennen, al vormen de heuveltjes rond Tiegem en Anzegem een uitzondering. De erosie heeft hier al elk spoor van de Lediaan-, Bartoniaan- en Diestiaansedimenten, die ook hier ooit aanwezig waren, weggevaagd. |
|||||||
|
5. HET KWARTAIRE LEEM- EN ZANDLEEMDEK
Mechanisme (De zuidgrens van de poolkap reikte van noord-Engeland tot noord-Duitsland. De Noordzee was aan de noordzijde gebarricadeerd door een muur van ijs en stond in het zuiden in verbinding met de Atlantische Oceaan via het Nauw van Calais. De west-Europese stromen (Schelde, Maas, Rijn, Elbe,..) botsten tegen de ijsmuur aan en namen in snelheid af. Hun lading meegevoerde bodemdeeltjes lieten zij door de afname van hun stroomsnelheid ter plaatse achter. Het landschap ten zuiden van de poolkap kreeg het uitzicht van een natte zand- en grindwoestijn. De niet aflatende krachtige noordenstormen (boven de Noordpool heerste een permanent hogedrukgebied) bliezen deze bodempartikels terug zuidwaarts en spreidde ze over de toenmalige Vlaamse toendra uit. Tijdens dit eolisch (= door de wind aangedreven) transport werd er bovendien op een natuurlijke wijze gesorteerd: door de zwaartekracht kon de luchtstroom de lichtste bodempartikels het verst en langst meevoeren, de zwaardere deeltjes (de zandkorrels) werden het eerst afgezet en kwamen niet verder dan het noorden van ons land. Ze vormden zandig-Vlaanderen (de Kempen, het Waasland). De lichte leem werd verder teruggeblazen en met milde hand over het heuvelend reliëf van onze Vlaamse Ardennen uitgespreid. Sedertdien is er ook erosie opgetreden, waardoor dit kwartaire leem'dek' nu al volledig van de hoogste toppen (heuvelkam Kluisberg-Levierenbos) is weggespoeld, de beekdalen werden ondertussen dik opgevuld met afgespoelde leem, al dan niet vermengd met klei en zand en op de plaatsen waar de tertiaire sedimenten dagzomen, ontstonden onze bossen of werden weiden aangelegd. |
|||||||
|
Laatste update 23/01/2009 |
|||||||