BEERLEGEM DIKKELE HERMELGEM MEILEGEM MUNKZWALM NEDERZWALM PAULATEM ROBORST ROZEBEKE ST.BLASIUS-BOEKEL ST.DENIJS-BOEKEL ST.MARIA-LATEM WIJLEGEM
 

PAULATEM
het dorp van 'puitenrijders'

 


Op de foto (eind de veertiger jaren uit de vorige eeuw) v.l.n.r. Maria Petit, Elodie Dossche, Robert Van De
Velde, Andrea Hellebaut en Robert Ysebaert.


Oude postkaart met zicht op het dorpspleintje van PAULATEM
en enkele dorpelingen.



 


Alle toenmalige inwoners van dit dorpje op één foto - dit huzarenstuk werd gepresteerd in 1959.
In het midden der eerste rij de burgemeester(es) mej. Van de Velde.

INLEIDING

          Paulatem was tot bij de eerste gemeentefusie (1970) qua inwonersaantal het kleinste dorp van Oost-Vlaanderen. Het dorp had ook een oppervlakte van maar 159 ha. De gemeente was vooral op landbouw afgestemd. In de eerste helft van de 19de eeuw was daarnaast ook linnenweverij van enig belang. Nu is de landbouw steeds minder belangrijk en pendelt de overgrote meederheid van de werkende bevolking naar Brussel, Gent, Zottegem, Oudenaarde (in 1960 was dit 40%)
          Als enige waterloop van betekenis kent Paulatem de Munkbosbeek, die ontspringt in de omgeving van de Munkboshoeve in de noordelijke uithoek van de voormalige gemeente Velzeke (Zottegem).
          Begin de 20
ste eeuw was Paulatem een dorp zonder winkel of herberg. Vóór 1914 beweerde men van Paulatem wel eens, dat het een dorp was "waar ons Heer nooit is gepasseerd".

   ETYMOLOGIE

In een oorkonde van 998 wordt deze plaats “Lathim” geheten. In 1725 was de benaming Pauwe-Lathem, vermoedelijk naar het Latijnse : “Lauthem Parvum” (kleine Latem). Volgens een andere verklaring van A. Van Geertsom komt het voorvoegsel Pau van een zekere Theodericus Pau ook wel Theodericus van Lathem genoemd. Hierdoor is het mogelijk dat de man ook wel eens als Theodericus Pau van Lathem werd vermeld en zo tot Theodericus van Pau-lathem werd vervormd. Ook komt op de figuratieve kaart van het Land van Aalst van 1606 de benaming Pauwel Lathem voor. De meeste etymologen verstaan onder “Latem” : “woning van de laat”.

Een Duits geleerde (wie?) maakte echter een grondige studie betreffende de oorsprong van de gemeenten met het bestanddeel “Latem”. Hij maakte daarbij een vergelijking tussen de plaatsnamen in Vlaanderen en deze uit Duitsland. Volgens hem spreekt voor de betekenis “woning van de laat” enkel het woord zelf in de vorm “Lat”. Aan de hand van een drievoudige motivatie (plaatsbeschrijving, taalkundig en geschiedkundig standpunt) komt hij tot het besluit dat Latem eigenlijk “woning in een moerassige grond” betekent. Hij stelde immers vast dat al deze plaatsen ofwel in een laagvlakte ofwel aan de rand van een heuvellandschap lagen en zich bovendien in een moerassig gebied bevonden. De Schelde was vroeger immers niet ingedijkt en stuwde zijn overtollig water in de zijbeken, waardoor het hier een eerder moerassig gebied was. Anderzijds voert hij aan dat het mogelijk is dat deze plaatsnaam uit het vroegere Frankische tijdperk dateert, zie het suffix -he(i)m. Zij waren erg verspreid en er werd een naam aan toegekend die aan de vorm van het gebied werd ontleend.

   BEVOLKING

1395 1571 1800 1830 1900 1947 1961 1970
110 230 301 292 181 174 136 146

 Het gehucht 'Hemelrijk'
 
     Etym.: vermoedelijk 'Hamerik' = een stuk bos, gelegen in de ham (kromming) van een beek.
     De wijk ligt een weinig landinwaarts, rechts van de baan naar de kerk van St.Maria-Latem. Daar is ook het voormalige 'armenhuis' gelegen.
     Naar mijn persoonlijke appreciatie één der mooiste plaatsen van Zwalm...

Aan nr. 31 bevindt zich een gewezen boerenarbeidershuis, uit eind 19de eeuw, volgens het kadaster het woonhuis van "kloefmaker" J.-B. Vande Sande. Het door een beukenhaag omhaagd voorerf is toegankelijk via een vernieuwd ijzeren hek. Bakstenen huis op gepikte plint met aan weerszij stallen en werkplaats onder doorlopende zadeldak (pannen), kern uit eind 18de of begin 19de E. De rechthoekige voordeur zit in een geschilderde bakstenen omlijsting op neuten. Er zijn rechthoekige vensters met vernieuwd houtwerk en luiken. Kleinere vensters in de achtergevel en sporen van talrijke verbouwingen. Voor het huis staat een steekpomp.

Andere gehuchten: Dorp, Barebeke (jong toponiem, wijst op een beek met stroming, Eikbos, Hembeke (838, 941) (Et.: midden 11de eeuw, Germ. hain = zegge + baki = beek), Gaverbos (Et. een waternaam, onvaste grond), Lange Vore (= een diepe insnijding, gemaakt door een ploeg), Zwaneveld (Et. 18de-eeuws, Swaensvelt), Barebeke (Et. jong toponiem, duidt op 'beek met stroming') en Sleeuwagen (1571, van 'sleeuw-hagen'=  "sleepruim = wilde pruim"), de Pane (naar een brouwerij), de Ruitjes (Ruytkens, 18de-eeuws, naar de vorm of wegens een soort onkruid?).        

 

GESCHIEDENIS

    Paulatem is waarschijnlijk ontstaan als nederzetting, waar tijdens de kerstening door de geloofspredikers een eerste bidplaats werd gebouwd. Paulatem behoorde vanaf de 12de eeuw tot het Land van Gavere dat deel uitmaakte van het Land van Aalst. De meier van de heerlijkheid 'Ter Heyden' (in 1432 is dat ene Jan van der Heyden) is belast met het innen van belastingen; een laatbank is bevoegd voor erven en onterven. In 1432 is de heerlijkheid 17 1/2 bunder 20 roeden groot.
     In de 15
de eeuw bestaat er naast eerder genoemd goed 'Ter Heyden' ook een kleiner hoeve 'Goed te Paulaethem'(16-17 bunder groot), eigendom van 'Kazen' (= Nicasius) van der Beken.
     Rond 1766 behoort ook de heerlijkheid St-Pieters-ten-Bergen (een wijk in Munkzwalm) als gehucht tot Paulatem. Vanaf de 18
de eeuw telt Paulatem twee grote boerderijen, bewoond door invloedrijke families: het eeuwenoude Hof de Waele en de (vroegere) vierkantshoeve Buysse (nu verbouwd tot huurwoning), gelegen aan diverse uiteinden van het dorp, nl. resp. op Sleeuwagen en aan de Dorpsstraat.
     Vanaf de 19
de eeuw duiken de kasteelheren van Beerlegem op als grote grondeigenaars. In het gemeentelijk archief van toen wordt de markies van Rode vermeld als eigenaar van het Rasveld. In 1967 bezat de gravin de Marchant et d'Ansembourg te Paulatem nog 30 ha grond, d.w.z. bijna 1/5 van de totale oppervlakte van dit dorp.

Er waren te Paulatem twee voorname, welgestelde families:

De familie de Waele
     Het was de familie De Waele die in 1771 de stenen windmolen van Varenkouter, op de grens Beerlegem-Dikkelvenne (de latere Tarandusmolen) liet bouwen. In 1765 is een Jacob Hermeszoon De Waele bekend en in 1786 staat Filip Jacob Judocuszoon De Waele als buitenpoorter van Geraardsbergen vermeld. In het begin der 19
de eeuw wordt Frans De Waele opgegeven als eigenaar van de Varenkouter-windmolen.
Het geslacht Buysse
 
 
     Het geslacht Buysse telde veel schepenen van het land van Gavere onder zijn telgen, o.w. Adriaan (+1720) en Fransiscus (+1742). In 1726 huwt Catharina Buyse(sic), dochter van Philippus, met Frans de Clippele, die bekend werd omdat hij de koper van zgn. 'zwart goed', nl. twee bunder grond, eigendom van de abdij van Kamerijk, die door de Franse overheersers geconfisceerd en openbaar werden verkocht, weigerde als rechtmatige eigenaar te beschouwen. Omwille van die halsstarrige houding moest de Clippele rond 1824 aan de griffie van de Oudenaardse rechtbank al 5000 gulden aan gecumuleerde gerechtskosten betalen ! Met deze familie Buysse was niet enkel ene Jean-Baptist Vander Linden (schepen en buitenpoorter van Geraardsbergen) verwant, maar ook kerkmeester Pieter Galle, omwille van zijn huwelijk met een 'dochter Buysse'. Hun zoon, Joannes Frans, ook buitenpoorter van Geraardsbergen, werd de vader van Joannes Galle (+1888), leerling aan het St-Katharina-college van Geraardsbergen en later gedurende meer dan 48 jaar burgemeester van Paulatem én weldoener van de parochiekerk. Met hem stierf het geslacht Buysse uit...
         
     Vanaf de 19de eeuw kregen ook de kasteelheren van Beerlegem een grote invloed op Paulatem. Ze kregen bijna 1/5 van de totale oppervlakte van dit dorp, 159 ha, in hun bezit.

De 'groote Oorlog'
     Al op 26 oktober 1914 sneuvelde Paulatemnaar Kamiel de Schepper, 22 jaar, soldaat bij het 2
de regiment grenadiers, te Duinkerke.
     Op Allerheiligen 1918, toen de rechter Scheldeoever bezet was door Duitse troepen van Avelgem tot Gavere. Op 3 november trok de 37ste Amerikaanse divisie nabij Heurne over de Schelde en Belgisch-Franse pantsertroepen bereikten de Scheldebocht te Gavere. De Duitsers, opgesteld op de glooiing van de Paulatemse wijk Barebeke, beschoten samen met de Duitse kanonnen te Meilegem de Scheldevallei en dit tot 11 november, dag van de wapenstilstand. De Duitse kanonniers sliepen in de schuren op het gehucht Hemelrijk, waar overal munitie opgestapeld was. Talrijke granaten van de geallieerden kwamen te Paulatem tot ontploffing.

WO II
     Al in het begin van deze oorlog sneuvelde alweer een Paulatemnaar: Jan-Baptist Buys, soldaat bij het 6
de artillerie, op 27.5.1940.
     Tijdens de meidagen van 1940 zocht de volledige Paulatemse bevolking een onderkomen in de kelders van het klooster te Beerlegem (de zusters en het personeel van dit klooster waren naar Velzeke gevlucht). De Duitsers sliepen in de brood- en vleeskelder, de burgerbevolking palmde de 'buitenkelder' in. Talloze V-bommen vlogen toen over Paulatem heen - één zou vallen in de slotgracht van het kasteel te Beerlegem. 

ONDERWIJS
 
PATRIMONIUM
              
         
de St-Gangulfuskerk
 


Het kerkgebouw is gelegen
aan de Paulatemstraat nr 57 op de helling van de vallei der Stampkotbeek, parallel met de lokale weg van Beerlegem naar St-Maria-Latem; haar 'oostering' vertoont een geringe noordwaartse afwijking, mooi ingeplant op een licht verhevenheid in klein rond kerkhof met lage bakstenen muur met dito ezelsrug, nog enkele oude grafstenen ten zuiden en ten oosten met opvallende rij van grafstenen van pastoors en burgemeesters. Kerkhof toegankelijk via ijzeren hekken aan weerszij van de westgevel van 1948 en via het vernieuwd houten hekje ten zuidoosten.
De kerk bestaat uit een enkele beuk van 5 traveeën, die gebouwd is met Doornikse kalksteen (met uitzondering van de westgevel en een deel van de noordmuur, die in baksteen zijn en het koor, dat is opgetrokken met Ledische zandsteen van groot formaat). Boven de eerste westelijke travee van de beuk is een houten dakruiter opgericht. Met ten oosten een smaller koor met vijfzijdige sluiting en een schuin geplaatste sacristie ten zuiden en een berging ten noorden.
Het patronaat over het kerkgebouw en de parochie was in handen van het H.Kruiskapittel van Kamerijk. Het oorspronkelijk kerkje zou in oorsprong een laat-romaans 12
de-eeuws éénbeukig zaalkerkje met dakruiter zijn geweest. Spoedig te klein bevonden, heeft men het al in de 13de eeuw verlengd met een vroeggotische travee ten westen.

 (Bouw)Geschiedenis

Omtrent de (bouw)geschiedenis van dit kerkje is niet veel bekend. Het is een éénbeukige zaalkerk opgetrokken uit Doornikse kalksteen, waarschijnlijk daterend uit de 11de eeuw, uitgebreid ten westen in de 12de eeuw. Een nieuw veelzijdig koor van Balegemse zandsteen werd opgetrokken in het laaatste kwart van de 13de eeuw. In 1593 was dit kerkje in gebruik als vesting, zoals ook te Beerlegem. Belangrijke herstellingen vonden plaats rond 1595-1615, mede tengevolge van de storm van 1612, betroffen, naast het dak en de vensters, ook de gescheurde koormuren. Verder werd deze kerk wel regelmatig onderhouden (cfr. de rekeningen 1648-'49 van herstellingen door een schaliedekker en een glasmaker). In 1602 heeft de bisschop van Brugge, Karel Philip de Rodoan (zoon van de heer van Beerlegem) de kerk opnieuw gewijd. In 1656 werd een sacristie aangebouwd (de huidige sacristie stamt vermoedelijk van rond 1700). Tijdens het hevig onweer van 10 augustus 1890 braken 2 stijlen in het torentje ('Liber Memorialis'). Waarschijnlijk gaf de herstelling daarvan aanleiding tot de belangrijke maar niet geslaagde restauratie van 1892-'93 naar een ontwerp van arch. J. Piscador (Leuven), waarbij de westgevel met bakstenen werd bekleed en het geveltorentje een dakruiter werd; de grote ramen werden vervangen door vier neogotische tweelingvensters. Een restauratie van het koor vond plaats in 1959. In 1971 waren herstellingswerken, waarbij de zuidgevel werd ontpleisterd, o.l.v. architect A. Bressers. In 1985 werd onder impuls van pastoor De Vis het interieur van het kerkje volledig hersteld; de communiebank werd van toen af als altaar gebruikt. Tijdens deze restauratie kon ook vastgesteld worden dat dit kerkje oorspronkelijk toegewijd is geweest aan de H. Justine.
 
Bij KB 28.12.1936 werd dit kerkje geklasseerd als monument met uitzondering van de westgevel.

 Architecturaal

De neogotisch bakstenen westgevel, opgetrokken t.g.v. de uitbreiding van 1893, is tot ca. 2 m hoogte van Doornikse breuksteen. Op de hoeken versterkt door versneden steunberen. Neogotische spitsboogvormige ingang met geprofileerde arduinen omlijsting. R. ervan, halfcirkelvormige smeedijzeren voetenschrapper. Erboven lancetvenster en klein rechthoekig venstertje. Sierankers in geveltop. Ingemetselde gedenkstenen voor beide WO. Vierkante houten westtoren bekleed met leien met rechthoekige galmgaten onder tentdak met smeedijzeren 18de-eeuws kruis en haan.
De zuidelijke zijgevel is van Doornikse kalksteen met sporen van hooggeplaatste kleine rondboogvensters; twee spitsbogige tweelichten van hardsteen. Op de westelijke hoek voorzien van bakstenen steunbeer, in de eerste travee zijn sporen van een gedicht lancetvenster en in de derde travee bevindt zich een gedichte korfbogige deur en rondboogvenstertje erboven, thans ervoor geplaatst kalvariekruis; eveneens gedicht venster in vierde travee van de noordgevel van bak- en natuursteen met drie bakstenen steunberen. Sporen van gedichte lancetvensters en twee spitsbogige tweelichten.
Het gotisch koor is opgetrokken uit Ledische zandsteen met decoratieve steunberen. Spitsboogvensters met omlijsting en omlopende waterlijst, enkel aan de noordzijde met bewaard vroeggotisch traceerwerk, andere vensters dichtgemetseld bij plaatsing van nieuw hoofdaltaar in de 18de eeuw en aan de zuidzijde vernieuwd. Aangebouwde noordelijke berging en zuidelijke sacristie met rechthoekige vensters onder lessenaarsdak.

 Interieur. Gepleisterd en witgeschilderd schip overdekt met vlak bepleisterd plafond, door bepleisterde moerbalken verdeeld in vier panelen versierd met rocailles in stuc, gedateerd 1694 op de twee eerste ontpleisterde balken boven het doksaal en 1762 op scheidingsboog met koor. Z.-muur geritmeerd door lisenen. Koor met ontpleisterde zandstenen muren en marmeren vloer met sterpatroon van 1855 en spitsbogig tongewelf. In Z.-muur naast hoofdaltaar getoogde nis met lithurgische piscina uit XIV of XV en eikenhouten sacristiedeur met smeedijzeren beslag uit 17de of 18de eeuw. Sacristie met bepleisterd kruisgewelf. Neogotische doksaalleuning van 1893.

 Mobilair.

Schilderijen op houten panelen: Calvarie, oorspronkelijk middendeel van een triptiek, eind 16
de-begin 17de eeuw, gerestaureerd in 1961 door J. Trotteyn; "H. Gangulfus en zijn legenden", gedateerd 1615. 
Beeldhouwwerk: gepolychromeerd houten beeld van H. Gangulfus mogelijks uit de 18
de eeuw; gepolychromeerde plaasteren heiligenbeelden op consoles en op zijaltaren. 
Meubilair: Hoofdaltaar van geschilderd hout in rococostijl uit het midden der 18
de eeuw, aangepast en geschilderd in 1869. Zijaltaren van H. Barbara (ten zuiden) en O.-L.-Vrouw (ten noorden), gepolychromeerde houten portiekaltaren in late rococostijl uit het derde kwart der 18de eeuw. 18de-Eeuwse koorbanken. Eikenhouten lambriseringen in het koor uit de 17de of 18de eeuw. Communiebank van eikenhout uit het derde kwart deer 18de eeuw, hergebruikt als altaar. Eiken zeszijdige barokke kansel van eind de 17de eeuw, met aangepaste trapaanzet uit de vorige eeuw, geplaatst tegen de zuidmuur. Eiken biechtstoel in empirestijl uit begin de 19de eeuw ingewerkt in de noordmuur. Gotische doopvont van zandsteen met koperen deksel uit de 17de eeuw. Recentere in steen gebeeldhouwde kruisweg. 
Verschillende grafstenen uit de 17
de en 18de eeuw in de vloer en de muren van doopkapel en op het doksaal.

Bronnen: Beerlegem, Pastorie, Liber Memorialis van Paulatem.                                                                                                                                                                                                        
Demey A., Eenbeukige Romaanse kerken in Oost-Vlaanderen, (Kultureel Jaarboek voor de provincie Oost-Vlaanderen, Bijdragen Nieuwe Reeks - Nr. 5, Gent, 1977, p. 105-113).                                  
De Noyette G. - Hoebeke M., Dorpsbeelden uit het verleden, Zwalm, Nazareth, 1994, p. 80.                                                                                                                                                    
De Wolf K., Romaanse bouwkunst (1000-1225), Architectuurgids Zuid-Oost-Vlaanderen, Zottegem, s.l., p. 38-39.                                                                                                                     
De Wolf K., Gotische bouwkunst, Vroeg, laat- en postgotiek & invloeden van de renaissance (1225-1625), Architectuurgids Zuid-Oost-Vlaanderen, Zottegem, 1997, p. 66-68.                                     
Dhanens E., Kanton Sint-Maria-Horebeke, Tekst, Inventaris van het Kunstpatrimonium van Oost-Vlaanderen, VII, Gent, 1971, p. 157-76.                                                                                      
Dhanens E., Kanton Sint-Maria-Horebeke, Illustratie, Inventaris van het Kunstpatrimonium van Oost-Vlaanderen, VIII, Gent, 1971, afb. 254-267.                                                                            
Hellebaut G., Paulatem in het land van Gavere, (Oost-Vlaanderen, VII, 6, 1958, p. 138-139).                                                                                                                                                  
Van den Abeele - Bellon R., Een greep uit Oostvlaamse landelijke kerken, De Sint-Gangulfuskerk te Paulatem (Munkzwalm), (Toerisme in Oost-Vlaanderen, XXIII, 2, 1974, p. 43-45).                        
Vandenbussche-Van den Kerkhove C., Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische bedehuizen, Provincie Oost-Vlaanderen, Kanton Brakel, Brussel, 1980, p. 59-62.                                       
Van Houcke A. - Langerock P., Oude bouwwerken in Vlaanderen, I, 1887, Pl. XXVI-XXVII.                                                                                                                                                  
 

 het oud-gemeentehuis  

         Aan de Paulatemstraat huidige nrs. 59-61. Hoeve.
       
Naar verluidt was het gemeentehuis van Paulatem steeds in hetzelfde gebouw gehuisvest. Het gebouw deed trouwens in de loop der tijden terzelfder tijd ook dienst als winkel, café, woning en boerderij (deze laatste enkel in de eerste twee traveeën). Het rechtergedeelte van het huis (nr 61, drie traveeën groot) was als gemeentehuis ingericht en had een eigen toegang.  Dit gebouw is gelegen midden de dorpskom van Paulatem, vroeger Paulatemstraat n°33, ten oosten van het kerkhof dat nog altijd de kerk omgeeft.
         Het is een
aan de straat gelegen, onderkelderd breedhuis van in totaal zes traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak (pannen, de nok // straat), een langwerpige smalle bouw met een verankerde, gecementeerde lijstgevel van acht onregelmatig opgestelde maar meestal over beide bouwlagen afgelijnde traveeën; vermoedelijk gecementeerd in het tweede kwart van de 20ste eeuw. De verdieping is veel kleiner dan de begane grond en telt slechts zes openingen. Het gebouw heeft een oudere 18de-eeuwse kern met het woonhuis van één bouwlaag, in de 19de eeuw uitgebouwd tot een semi-gesloten hoeve, waarbij het woonhuis met een verdieping werd verhoogd. Grotendeels aangepaste hoevegebouwen rondom verharde binnenplaats en palend aan het kerkhof, toegankelijk via ijzeren hek rechts naast het huis. De rechthoekige deur in de 3de travee (nr. 59) is voorzien van een portiek met twee binnendeuren naar de vroegere winkel annex café met eenvoudige ijzeren ring als voetenschraper; de rechthoekige ingangsdeur bevindt zich in de zevende travee (nr. 61) van voormalig gemeentehuis. Aan de voorgevel bevindt zich een ring voor het vastleggen van paardenleidsels. De oorspronkelijk getoogde benedenvensters met luiken werden verlaagd tot rechthoekige vensters; de bovenvensters zijn getoogd. Geaccentueerde ontlastingsbogen. De gewitte bakstenen rechter zijgevel heeft een bouwnaad en sporen van vroegere bouw van één bouwlaag hoog met vlechtingen en sieranker in geveltop. De linker zijgevel van baksteen werd vernieuwd.
        
Op de wand werd oorspronkelijk natuursteenwerk door beschildering nagebootst. Ook op de gecementeerde lateien zijn natuursteenblokken nageschilderd.
       
De traveeën op de begane grond hebben nu een rechte latei, die van de verdieping vertonen nog steekbogen. In elke muurdam is op beide bouwlagen een anker aanwezig. Op de rechter zijgevel blijkt duidelijk dat de constructie oorspronkelijk een laagbouw was, waarvan de dakrand vlechtverband had. De linderzijgevel, met rotsbezetting, heeft steekboogvensters die een geschilderde band vertonen. Wellicht geven zij goed weer hoe de voorgevel er vroeger uitzag.
       
Conceptueel als landelijke woning en boerderij opgericht, is het gebouw stilistisch en typologisch moeilijk te omschrijven. De constructie was eerst een traditionele landelijke woning die in de loop van de 19de eeuw door verhoging een stedelijk uitzicht kreeg en waarbij de meest in het oog springende gevels een rotsbezetting kregen. In de 20ste eeuw werd deze bezetting op de voorgevel vervangen door de huidige cementering.
       
De vrij bescheiden bouw speelt als onderdeel van het enkele analoge huizen rijke dorpsplein een medekarakteriserende rol. In relatie tot de kerk en het kerkhof oefenen vooral de linkergevel en de stallingen ruimtelijke invloed uit.

 


Het huidig uitzicht

 het armenhuisje
 

           Aan de Paulatemstraat nr 67-69. Een weinig landinwaarts gelegen, in de wijk Hemelrijk, rechts van de weg naar St.Maria-Latem, dateert het woninkje, een vroegere hoeve van het gesloten type uit de 17de (18de?) eeuw. Het is een klein gebouw in typische Vlaamse stijl, in witgekalkte baksteen, met vooraan een moestuin.
          Volgens het kadasterarchief vond in 1886 de sloop van de oude dienstgebouwen plaats en bouwde men de huidige.
          De gevels van de woningen zijn  witgekalkt, op gepikte plint onder doorlopend overstekend zadeldak (in rode pannen, nok evenwijdig met de straat). De vensters zijn rechthoekig met vernieuwd houtwerk en groene luiken met hartvormige lichtopening. Korfboogdeurtjes in groen-geschilderde bakstenen omlijsting met recht kroonlijstje. Dakoverstek op uitgesneden consoles. In achtergevel gelijkaardige deuren en consoles onder dakoverstek.
Interieur: in de uiterst links gelegen opkamer, is de moerbalk gedateerd 1737. In de woonkamer van nr. 67 bevond zich een samengestelde balklaag met moerbalk versierd met initialen en grote schouw met geprofileerde schouwbalk. In nr. 69. bevindt zich links de woonkamer met rode tegelvloer en rechts een kamer met classicistische schouw met stucwerk op boezem.
          Ten N.W., achter woonhuis, dienstgebouw met stallen en bakhuis, uit het laatste kwart van de 19de eeuw. Daar bevindt zich ook een gewitte bakstenen buitenkelder onder zadeldak ( in pannen, de nok // met de straat) met twee gewelfde beuken, uit het het laatste kwart der 19de eeuw.
          Het huis dankt zijn naam aan het feit, dat vroeger 'armen' hier onderdak konden krijgen. Het gebouwtje deed ook dienst als weeshuis en hospitaal. Nu is het heringericht als boerenhuis gelegen achterin een moestuin. Het huis was ingericht als twee privé-woonsten, tot in 2006 het perceel waarop het armenhuisje staat, mét toelating van de graaf(!), en als één der laatste beleids('wan')daden van Basiel Eeckhout en zijn college, verkocht en verkaveld werd. Bliksemsnel werd de woning nr 67 gesloopt en werd op het perceel een moderne hoge nieuwbouw, aanvankelijk in hout, opgetrokken. In 2007 werd tegen de houten muren een moderne witte steen geplaatst. De landschapsomgeving en het dorpsgezicht werd hierdoor onherroepelijk verminkt...

 









 













 


Het interieur van in de jaren 1970









 

 de oud-pastorie


Vooraanzicht   




Achteraanzicht

     De mij oudst bekende pastoor van het kleine Paulatem was Franciscus Van der Strickt (1575), die echter resideerde te Beerlegem. De vroegste pastorie zou o.m. verwoest zijn geworden tijdens de godsdienstoorlogen eind 16de eeuw.
     Paulatem had vanaf dan geen pastorie meer.
    Deze pastorie dateert met name uit de tweede helft der 18de eeuw
(toen werd, hoewel de parochie maar zelden over een eigen pastoor had beschikt, toch een pastorie opgetrokken) en is gelegen aan de Paulatemstraat nr. 53, ten westen van de kerk. Het is een witgepleisterd gebouw mét verdieping, een typisch pastoriegebouw in ommuurde tuin. Ze werd hersteld en een weinig vergroot in 1892. In gebruik als pastorie tot 1968. Recent gerestaureerd. Gewitte tuinmuur met hek naar de kerkzijde en gedicht hek aan de straatzijde, aan de achterzijde verlaagd.
     Het betreft hier een dubbelhuis van vijf traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak (pannen, nok // straat). Verankerde bakstenen lijstgevel met geprofileerde en bepleisterde daklijst en houten gootlijst met klossen. De vensters zijn rechthoekig met arduinen dorpels in vlakke gepleisterde omlijsting, op de begane grond met persiennes, op de bovenverdieping met vernieuwd houtwerk naar oud model. De rechthoekige opgeklampte deur heeft een sierlijk houten bovenlicht. De gelijkaardige achtergevel heeft het gedichte bovenlicht boven de deur en een blind venster boven de deur. De woning heeft een linker gecementeerde en een rechter beraapte zijgevel met getoogd zoldervenster en zijaanbouwsels onder lessenaarsdak. De rechterzijde van het huis is volledig vernieuwd.
     Achter de pastorie bevindt zich een dienstgebouwtje onder zadeldak (pannen) uit het 2de kwart der 19de eeuw, nu ingebouwd in woonhuisuitbreiding.
     Binnenin bevindt zich de overwelfde kelder met stenen trap. Er is een centrale gang met eiken bordestrap voorzien van een gesculpteerde trappaal uit het 2de kwart der 18de eeuw. Salon en eetkamer met stucwerk op schouw en plafond.
     Wordt nu bewoond door een privé-persoon.

 de Lourdeskapel

     Kapel van O.-L.-Vrouw van Lourdes of z.g. "grotkapel".
      Ze werd gebouwd door mejuffer Frederika Petit en op 13/8/1876 gewijd door deken Roegiers van Zottegem.
     Na WO I gekend als bedevaartkapel. In 1941, toen de kapel werd vergroot, verdween de put binnenin, van waaruit ten behoeve van de zieken, die er op bedevaart kwamen, water werd geschept.
     Omgevend tuintje toegankelijk via twee ijzeren hekjes van 1955 aan weerszij van kapel.
       In 1956 kreeg de kapel VII staties van O.L.Vrouw van Smarten, die geleverd werden door M. Moor uit Deinze; ze werden ingewijd op 21 mei dat jaar door de deken van St.Maria-Horebeke. Wat later werden twee gebrandschilderde ramen geplaatst van A. D'Hazer (Oudenaarde), met als thema's 'de Verrijzenis van Christus' en 'O.L.Vrouw-van-de-Rozenkrans'.
        De indertijd bekende bedevaart, met zijn kaarsofferanden, werd gehouden op tweede Pinksterdag, en dit sedert het einde van de eerste wereldoorlog. 
     Deze bakstenen kapel met de voorgevel van grotwerk is afgedekt met een zinken dak. Kapeltoegang geschiedt via een rondboogdeur en is afgesloten door blauwgeschilderde ijzeren hek. Aan de zijgevels vindt men de ingemetselde staties met de "VII Smarten van O.-L.-Vrouw" gesigneerd door M. De Moor (Deinze) van 1956.
     Binnenin, een vloer van groene en zwarte tegels en aan de grotwand de beelden van O.-L.-Vrouw van Lourdes en een geknielde H. Bernadette; er zijn twee glasramen gesigneerd van A. D'haeyer (Oudenaarde) van 1957.

Bronnen:
Beerlegem, Pastorie, Liber Memorialis van Paulatem.
Simons G., Paulatem, kleinste gemeente van Oost-Vlaanderen, Antwerpen, 1967, p. 14.

 



 



de authentieke grenspaal,  toen ze nog op de
originele plaats prijkte (begin de jaren 1990).
 



de lelijke replica die in de plaats
kwam.


 de grenspaal

      In de Kapellestraat nabij de Kapel van O.L.Vrouw-van-Lourdes stond tot in 2002 nog een grenspaal uit 1778 in grijze hardsteen met op de oostzijde een letter A met daarboven de bril uit het Oudenaards wapenschild en aan de westzijde een zwaard of degen, merk van de kastelnij van Aalst en het opschrift “AELST”. De paal is in grijze hardsteen, groot 90cm (boven de grond uitstekend) x 26 cm x 26 cm;
Egotripperij van een lokaal politicus zorgde ervoor dat de paal, na restauratie, niet op de authentieke plaats werd teruggezet, maar op de parking(!) van het vernieuwde gemeentehuis van Zwalm kwam te "prijken" !! Op de originele plaats kwam een (lelijke) replica...
     O.a. de heemkundekring van Zwalm pleit er al enige tijd voor, dat de originele grenspaal op de oorspronkelijke plaats terug wordt gezet.

 

 De (verdwenen) herbergen

          - Herberg 'Het Lammeken'

          - 'Het Paradys'

          - 'den Reygher'

          - 'De Hemel' - gelegen aan de Paulatemstraat nr. 1. Het betreft een vroeger boerenhuis, later werd het een tweegezinswoning, nu gerenoveerd buitenhuis (nr.1) en huis ernaast (nr. 3) vervangen door nieuwe bouw. Naar verluidt voormalig café. Gelegen in voorhofje afgesloten door ijzeren hek. Woonhuis van vier traveeën met links de aanleunende stal onder zadeldak (mechanische pannen, n // straat), vermoedelijk uit eind 18de of begin 19de eeuw. Witgeschilderde gevel op gecementeerde en gepikte plint. Nagenoeg rechthoekige vensters op arduinen lekdrempel, voorheen met luiken, cf. bewaarde duimen. Spiegelpaneel boven deur. Steekpomp tussen eerste twee vensters. Links zijn de aansluitende stallen nu bij woonhuis gevoegd.
     Binnenin: tweekleurige cementtegelvloer; geschilderde samengestelde balklaag met drie licht geprofileerde moerbalken.
     Tussen boerenhuis en straat staat een dienstgebouwtje van drie traveeën onder zadeldak (pannen, n straat), uit het eerste kwart van de 20ste eeuw, waarvan de witgeschilderde gevel afgelijnd is door een getrapte kroonlijst met centrale rechthoekige poort.

 De hoeven

   Er zijn nog twee eertijds aanzienlijke boerderijen, nl. het eeuwenoude hof De Waele en de vroegere vierkantshoeve Buysse, die aan verschillende uiteinden van de gemeente gelegen zijn, nl. op Sleeuwagen en aan de Dorpsstraat.

     - Het 'Goed ter Tale' of (Goed ) 'Ter Heiden': Et. Eerstgenoemd toponiem had te maken met de familienaam van één der eigenaars, bij het tweede moet men rekening houden met een foutieve overname van een vermelding ('ter heyden' = gelegen op of in de omgeving van heidegrond) uit een dokument van 1484 "up een behuust goed dat voortyts ghegheeten was tgoedt ter tale ende nu tgoet ter heyden" (SAG 330/37 fo 65). De oudst bekende vermelding dateert van 1432. Het goed behoorde toen toe aan zekere Jan vander Heyden en werd verpacht aan Jan de Rouc, die 13 schellingen groot per bunder en per jaar aan huur moest betalen. De oppervlakte bedroeg 17,5 bunder en 20 roeden.  De gronden waren ook gelegen te Beerlegem en St.Maria-Latem (SAG 301/32 fo 35 vo). In 1484 is het eigendom van Ghelein Bets die gehuwd is met Jozijne Vierendeels; ze laten het na aan hun dochter Clara (SAG 330/37 fo 65). Vanaf 1697 wordt 'Goed ter Tale' aangeduid als 'Goed ter Heiden'. Het goed wordt in leen gehouden van het hof van Gavere (Twembeke, p.26). De meier van Ter Tale werd aangesteld door deze leenhouder en beëdigd door de baljuw van Gavere. Van de heerlijkheid Ter Tale werden 5 lenen gehouden, alle met een vol verhef (a. laatgronden b. 'rente van Inbeke'= Hembeke c. de heerlijkheid ter Heiden of ter Talen. De heerlijke renten bedroegen in totaal 4sch, 4 mokens koren, 6 mokens haver, 3 capoenen en 1 hoen, te leveren op kerstavond. Op Pasen waren het nog 50 eieren en op Bamis (St Bavo, 1 oktober) een gans. De meier van Ter Heiden was belast met de inning van de dood- en wandelkoop en maande de laatbank, welke bevoegd was in het erven en onterven.

     - Het 'Hof t'Hembeke': Aan het nr. 5, gelegen in de straatbocht. Oude hoeve met semi-gesloten opstelling rondom onregelmatige binnenplaats. Gebouwd in 1857 en bewoond door de toenmalige burgemeester van Paulatem, Johannes Galle, daarna ook bewoond door de burgemeestersfamilie (van Polydoor) Van de Velde, (daarom) in de  volksmond ook " 't hof van de burgemeester" genoemd.
De jongste dochter van Polydoor, Antoinette, trad in zijn voetsporen als burgemeester tot 1958.
Het huis is nu volledig gerestaureerd. Ten zuiden bevindt zich een doorrit, die nu afgesloten is met een ijzeren hek, in bakstenen bedrijfsgebouw onder pannendak. Ten noorden ligt achterin het boerenhuis van acht traveeën onder zadeldak (leien) met twee grote en twee kleine dakkapellen met trapgeveltjes, heropgebouwd in 1857. Bakstenen lijstgevel afgelijnd door 'entablement'. Hoge rechthoekige vensters met vernieuwd houtwerk. Twee dito deuren in gesinterde bakstenen omlijsting.

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                         Bronnen: Hoeveroute Zwalm, Fiets- of autoroute door de Zwalmvallei,  s.l., s.d.
     - Het 'Hof  De Waele':

     Huisnr. 2. Genoemd naar één van de vroegere eigenaars, de familie De Waele, die in 1771 bouwheer was van de windmolen z.g. "Tarandusmolen" in Dikkelvenne op de grens met Beerlegem. In de straatbocht gelegen voormalige hoeve van het semi-gesloten type, nu afgesloten door een ijzeren hek. Ten oosten staat de boerenwoning waarvan de kern dateert uit de 18de eeuw, met een met vernieuwde voorgevel die uitziet op het erf. Behouden gewitte achtergevel met gedicht steekboogdeurtje gevat in bakstenen omlijsting met kroonlijst en witgeschilderde zijpuntgevel aan de straat met getoogde vensters in gepleisterde omlijsting, geveltop afgewerkt met vlechtingen en voorzien van getoogd zolderluik met waterlijstje. Ten zuiden bevinden zich de schuur en stallen van zes traveeën onder zadeldak (pannen) uit de 18de eeuw. Aan de bouwnaden te zien zijn de gevels vernieuwd. Aan de straatkant is de zijpuntgevel afgewerkt met vlechtingen. Er zit een rechthoekige inrijpoort in de tweede travee. Ten noorden van de hoeve, aan de overkant van de straat, staat een bakhuis uit de 19de eeuw.

     - Het 'Goed te Paulathem' - Niet meer te situeren hoeve, die waarschijnlijk centraal in dit klein dorp lag. Er zijn weinig gegevens over bekend. In de Gentse schepenregisters van 1408 werd de hoeve voor het eerst vermeld als eigendom van Casin van der Beken en 16 bunder groot; in 1425 is de eigenaar Kazen (Nicasius) van der Beken (een erfgenaam van Casin?) en het goed inmiddels 17 bunders groot. De pachter is dan Arnold van Aelst (SAG 301/28 fo 21). In 1448 staat vermeld dat dan Lysbette vanden Abeele, weduwe van vander Heyden, er de eigenares is. Arend van Aelst is dan nog steeds de pachter van " 't selve goed gheheeten pauelatem" (SAG 301/40 fo 110).
       Vermoedelijk dezelfde hoeve als het hieronder vermelde 'Goed ten Dale'.

     - Het 'Goed ten Dale' - het toponiem is van Germaanse origine en betekent "vooruitspringende bodemverhevenheid in meersengebied". Het goed is alleen bekend door een vermelding in 'de Gentse Jaarregisters van de Keure' uit 1492. De hoeve had toen 17,5 bunder oppervlakte.

     - Hoeve
 
    Met huisnr. 7. In de straatbocht gelegen 18de-eeuwse gesloten hoeve; werd eind de 19de eeuw, op het boerenhuis na, gesloopt. Ten noorden van het vroeger erf staat dat boerenhuis nu met witgeschilderde gevel onder overstekend zadeldak (mechanische rode pannen en zwarte) met vernieuwde vensters en een behouden omlijsting van getoogde deur van rode en gesinterde bakstenen met oren en neuten en gebogen waterlijstje, erboven met bakstenen omlijst gevelnisje. Bewaarde roodgeschilderde achtergevel met rechthoekige vensters. De rechter zijgevel, aan de straat, is afgewerkt met vlechtingen en op geveltop muuranker voorzien van initialen IBVL en jaartal 1769.
 

     Voormalig boerenarbeidershuis

     Aan Hemelrijk nr. 31. Het is een vroeger boerenarbeidershuis, volgens het 19de-eeuws kadaster het woonhuis van "kloefmaker" J.-B. Vande Sande. De woning heeft een met beukenhaag omzoomd voorerf, dat toegankelijk is via een vernieuwd ijzeren hek. Het is een bakstenen huis op gepikte plint met aan weerszij stallen en werkplaats onder doorlopende zadeldak (pannen); de kern is eind 18de of begin 19de-eeuws. Het huis heeft een rechthoekige deur gevat in een geschilderde bakstenen omlijsting op neuten. Er zijn rechthoekige vensters met vernieuwd houtwerk en luiken. Kleinere vensters in de achtergevel en sporen van talrijke verbouwingen. Vóór het huis bevindt zich een steekpomp.
 

FIGUREN

- Fransiscus COLLIER, ‘de olijke pastoor’ - Viane 1824-Paulatem 1910 - was pastoor van 1871-1910; geboren te Viane op 24/3/1824, als zoon van kuiper Jan-Baptist en van Petronella Vandenputte, gaat hij binnen in het Seminarie op 1/10/1848, wordt priester gewijd op 20/12/1851 waarna hij onderpastoor wordt te achtereenvolgens Overboelare (1852), Sint-Kruis-Winkel (1855), Aaigem (1857), Kwaremont (1865) en St-Maria-Oudenhove (1869). Tenslotte zal hij voor meer dan 39 jaar pastoor van Paulatem (vanaf 31 mei 1871) worden waar hij overlijdt op 7/8/1910. Zijn bijnaam dankt hij aan Gerard Simons, die een novelle wijdde aan deze kleurrijke figuur, met tal van olijke anekdotes. De blijmoedige pastoor veroorloofde zich veel meer dan een andere geestelijke en was de dader van vele guitige 'perten' waardoor deze dorpspastoor uitgroeide tot een heuse sagenfiguur. Vele van die anekdotes werden verhaald in de novelle van Gerard Simons. "Toen pastoor Collier stierf leek het alsof de hemel boven Paulatem voor altijd bewolkt werd... Hij leeft alvast voort in de memorie van hen, die hem van nabij hebben gekend": "Enkele zondagen na zijn begrafenis, verklaarde Peetje Remi in 'De Klokke'dat hij op een zondagnacht, toen hij van de kaarting kwam, op Latemkouter een lichtende plek ontwaarde. Menende dat het 'pensers' waren ging hij er stilletjes naar toe maar wat zag hij? Paster Cies die aan een gouden altaar met nog twee andere pasters de mis deed! ".

ECONOMIE & TEWERKSTELLING
      De Bierhalle Schepens

Het is een familiebedrijf dat al tweemaal van vader op zoon is overgegaan. In het begin van zijn actieve loopbaan haalde Jozef Schepens melk op bij de lokale boeren.
In 1947 start hij, met zijn vrouw Maria Baele, De naam wordt
DEPOT J. SCHEPENS. Ook de melkophaling werd met de bierhandel verder gecombineerd.
Tussen jaren ’50 en ’60 wordt de bierhandel zó succesvol, dat het 'magazijn tot drie keer toe moet uitgebreid en verruimd worden.
In ’66 komt hun enige zoon Ghislain in de zaak. De naam wordt aangepast:
BIERHANDEL J.SCHEPENS EN ZOON.

In ’68 trouwt Ghislain met Godelieve Picard, die meteen in de zaak komt meehelpen.
In de jaren ’70 wordt de melkophaling stopgezet. De familie SCHEPENS spitst zich vanaf nu uitsluitend toe op de drankenverkoop.
In ’84 wordt een nieuw magazijn van 450 m² gebouwd.
Vanaf ’87 wordt gestart met een winkel: BIERHALLE SCHEPENS.
Het gamma wordt verruimd: wijnen, likeuren, sterke dranken,… worden nu aangeboden.
Vanaf ’92 komt zoon Eddy in de zaak.
Het klantenbestand breidt verder uit.

In 1997 wordt het 50-jarig bestaan van de firma
gevierd
.

In ’98 werd een nieuwe winkel gebouwd, die u nu nog steeds kan bezoeken.
In ’99 wordt de éénmanszaak een bvba.

VOLKSLEVEN & CULTUUR
 
 
   Het 'billen*rijden'

          Vond plaats t.g.v. de eerste kermis. Dit was niet enkel een snelheidsproef, die erin bestond zo snel als mogelijk met een kruiwagen, waarop 3 biljartballen lagen, een eindstreep, zo'n 100 m verder, te overschrijden maar vooral een behendigheidsproef. Het af te leggen parcours liep over een hobbelige steenweg, van aan de herberg 'De Klokke' (op 'de plaatse') tot aan het estaminet 'In de Trap-Op'.
                  *een 'bil'(oud-Vlaams) in de betekenis van biljartbal

      Het 'puitenrijden'

          Greep gewoonlijk plaats met de kermis. Aan dit gebeuren danken de Paulatemnaars hun spotnaam 'Paulatemse puitenrijders'. In 2011 werd door een plaatselijke buurtcomité een beeld opgericht, die dat teloor gegane volksgebeuren opnieuw belichtte. En daardoor kreeg ook Paulatem, na het grootste deel van de andere Zwalmgemeenten, een beeld !!!

BESCHERMDE MONUMENTEN & LANDSCHAPPEN

         
De St-Gangulfuskerk -
KB 28/12/1936, als monument, met uitzondering van de westgevel.
 

BIBLIOGRAFIE
 

 SIMONS G.J. - Billenrijden te Paulatem, OVZ 32, 1957, p.187.
                       Volksdevotie te Paulatem, OVZ 35, 1960, p.67
                       Typische uitdrukkingen, gehoord te Paulatem, OVZ 36, 1961, pp.141-142.
                       Opschriften van grafstenen in de kerk van Paulatem, LvA, 18, 1966, nr 2, pp. 67-71.
                       Volksremediën tegen wratten en tegen speen te Paulatem, OVZ, 34, 1959, p.164.
 HELLEBAUT G. - Van de wieg tot het graf te Paulatem - folklore te Paulatem in verband met de levensloop, OVZ, 35, 1960, p.67.
                          - Paulatem, het Land van Gavere, FO.Vl., 7, 1958, nr 6, p.138-139.
 JACQUART J. - Les familles-souches de Paulatem (arr. d'Áudenarde) auxx 17e et 18e siècles, IG, 15, nr 88, 1960, p.209.
 VAN DEN ABEELE-BELLON R. - Een greep uit Oost-Vlaamse landelijke kerken. Sint-Gangulphuskerk te Paulatem, LvA, 18, 1966, nr.2, pp.67-71.
 VAN DER LINDEN R. - De kapel van O.L.Vrouw van Lourdes te Paulatem, MT, 28, 1957, nr 4, pp.119-120.
 N.K. - Paulatem: dorp zonder herberg maar remedie tegen 'kwade wijven'..., FO.Vl, 27, 1978, pp.21-25  

Laatste update 12 juli 2011

MIJN HOMEPAGE   HOMEPAGE ZWALM   HOMEPAGE MUNKZWALM