|
|
|||||||||
|
|
|||||||||
|
|
Ik zie heuvelruggen langs bomenrijen Ik zie het tafereel van kleine, stille steden,
En gij, O liefste stad, O vriend’lijk Oudenaarde, |
||||||||
|
|
|
|
|||||||
|
Hij werd er toen schoolhoofd en Ondertussen ging hij ook Moderne Talen studeren aan de Gentse Rijksuniversiteit. In Gent bezocht hij in het seizoen 1880-'81 de opera's, gebracht door het Duits Operagezelschap en schreef daarover het werkje "Herinneringen aan de kunstfeesten van het Duits Operagezelschaap in de Groote Schouwburg te Gent" onder het pseudoniem Remo. Hij kreeg daarover lovende kritiek van Edmond Van Der Straeten, een toen algemeen bekend muziek-recensent, die over hem schrijft als over "den hooggeleeerden heer O Wattez". Zelf zegt Wattez daarover: "...Hooggeleerden Heer! Ik was, in 't begin mijner twintiger jaren, niet weinig verbaasd over zulk een titel en durfde bijna mijn ogen niet gelooven, toen ik het las". Ook krijgt hij goede kritiek in het tijdschrift 'Jong Vlaanderen' dat gesticht werd door Pol de Mont (lees hierover in de Vlaamse Ardennen). Wattez voelt zich door deze kritieken tot een heuse schrijver gewijd, en daarover schrijft hij een briefje naar Richard Wagner(!) zelf. Als antwoord wordt hij namens Wagner uitgenodigd de daaropvolgende zomer eens in Bayreuth de Festspielen bij te wonen. Dat zal echter pas in 1888 (samen met de Mont) gebeuren... Na zijn geslaagde studies in de Germaanse Talen werd Omer vanaf 1883, en dit tot 1907, leraar Germaanse Talen aan het Koninklijk Atheneum van Doornik. In 1907 volgt hij de dichter Jan van Beers op als leraar Nederlands aan het Koninklijk Atheneum van Antwerpen, en zal dit daar blijven doen voor de rest van zijn lerarenloopbaan. In 1905 werd hij corresponderend lid van de Koninklijke Vlaamse Academie en 3 jaar later wordt hij gehuldigd als Ridder van de Leopoldsorde. In 1913 wordt hij werkend lid van de Koninklijke Vlaamse Academie. Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog vlucht hij naar Frankrijk. Over de jaren tussen 1914 en zijn dood is zo goed als niets meer bekend. Op het einde van zijn leven (16 december 1934) schrijft hij: "Nu verlang ik naar de lente om nog eens naar mijn geboortedorp te komen en er berg-op berg-af te wandelen en mijn goede vrienden te bezoeken...". Omer Wattez sterft op 78-jarige leeftijd na een kort ziektebed in zijn woning aan de Kruisdagenlaan te St-Lambrechts-Woluwe op 26 maart 1935. Kort voordien had hij nog voor de Koninklijke Vlaamse Academie het 'levensbericht' van zijn jeugdvriend en streekgenoot Isidoor Teirlinck opgesteld. Omer Wattez werd begraven op het kerkhof van Schaarbeek op 29 maart, op hetzelfde moment waarop de eerste minister Paul Van Zeeland de regeringsverklaring voorlas, waarin de devaluatie der Belgische frank met méér dan 25% werd aangekondigd, na een dienst in de St.-Hendricuskerk, die bijgewoond werd door tal van vooraanstaanden, zoals J.Eeckhout, J.Grauls, Abraham Hans, Jozef Muls en August Vermeylen. Zijn dood is nu al een driekwart eeuw geleden dus, maar zijn naam is nog niet vervaagd. De mede door hem opgerichte gemeentelijke bibliotheek te Schorisse, het VTB-wandelpad langs de Zwalm (dat loopt van Zottegem tot het Zwalmse Sint-Maria-Latem en in 1985 werd ingewandeld) dragen zijn naam. In 1970 werd aan de Zwalmmolen te Munkzwalm een prachtige gedenksteen voor hem opgericht. Hij staat er vermeld als ‘pionier van zijn streek’. Zijn naam moge dan voortleven, weinigen kennen
echter nog
zijn werken… |
|||||||||
|
|||||||||
|
Zijn hele leven lang heeft Omer Wattez een ontzettend dynamisme aan de dag gelegd en dat uitte zich in een eindeloos aantal bijdragen in dagbladen en tijdschriften en in een 45-tal boeken: romans, novellen, gedichten, vertaalwerk, studies, reisbeschrijvingen. Een groot deel van zijn letterkundig werk wijdde hij aan het beschrijven en ‘bezingen’ van zijn streek: het heuvelland tussen Avelgem en Geraardsbergen, Gavere en Ronse. De jaren 1888 tot 1914 zijn als schrijver zijn meest vruchtbare geweest. Begonnen als dichter kreeg hij van zijn vrienden Isidoor Teirlinck (vader van Herman) en Reimond Stijns de raad om de novelle en het reisverhaal te beoefenen. De dorpsnovelle was toen uitermate geliefd, met schrijvers als Concience, Abraham Hans, e.a. Wattez zou 25 novellen over het Zuidoostvlaamse land schrijven. Uit die novellen blijkt zijn grote bekommernis voor de Vlaamse culturele achterstand en de verloedering van Vlaanderen door een doorgedreven verfransing. In zijn novelle 'Lentefantazij' die verscheen in 1888 gebruikt Omer Wattez voor het eerst de naam 'Vlaamse Ardennen'. Hij behandelt toen al thema's die heden ten dage brandend actueel zijn zoals milieubescherming, natuurbehoud en kleinschaligheid.
In zijn boek ‘Kinderweelde’ beschrijft Wattez de Zwalmrivier zoals hij in de goeie ouwe tijd moet geweest zijn: "In de heuvelachtige streek van Zuid-Vlaanderen vloeit kabbelend en babbelend, een onbeduidend sprieteltje water. Zij vloeit door bloeiende beemden, kruipt guitig in heesterbosjes…Aan de vlietjes, die jubelend van de omliggende hoogten komen toegesneld, schijnt zij een waarschuwend ssst…te fluisteren. Verder loopt de Zwalm door schilderachtige plekjes, dichterlijke hoekjes, het ene al aanlokkelijker dan het andere…" Omer Wattez was ook steeds een overtuigd Vlaming en tevens propagandist voor de Vlaamse ontvoogding. In het Waalse Doornik stichtte hij een kern van het Algemeen Nederlands Verbond; op de wereldtentoonstelling te Luik in 1905 richtte hij een ‘Vlaamsch Te Huis’ op; in het Franse blad ‘Le Figaro’ publiceerde hij artikels over de Nederlandse letterkunde in ons land; voor het Algemeen Nederlands Verbond stelde hij een uitvoerig rapport op "De Vlamingen in het Walenland". Hij werd tevens lid van de Koninklijke Vlaamse Academie. In 1880 uitte zich voor het eerst zijn drang om te reizen en te wandelen, te verpozen in verbondenheid met de natuur. Toen deed hij zijn eerste lange wandeling – van Duinkerken langs de zee tot Sluis – in vier dagen, met oponthoud te Nieuwpoort, te Oostende en te Heist. In 1887 onderneemt hij een 14-daagse voetreis langs de Rijn met zijn (al vermelde) vriend en collega te Doornik, Pol De Mont. In de jaren ná 1890 reist hij door Zwitserland, Oostenrijk, Italië, Duitsland; later is hij nog in Noorwegen geweest, terwijl hij in zijn laatste levensjaren Frankrijk in alle richtingen doorkruist. Als 'volksopvoeder' moraliseerde hij graag: "De boer uit het zuiden van Vlaanderen droeg in de week een blauwen kiel, dien hij, als hij eigenaar was, den Zondag aflegde om den 'heerenfrak' aan te trekken, en zoo naar de mis en 's avonds op 'estaminet' te gaan. Zijne vrouw hing den bekenden Vlaamschen mantel van zwart laken op de schouders, als zij de kerk of de markt bezocht. Onder het volk is nu de blauwe kiel de Zondag verdwenen en de dochters van welgestelde boeren hebben liever een steedsch kostuum dan de traditioneelen kapmantel te laten zien. Op de kermisdagen alleen gingen meest al de vrouwen zonder mantel naar de kerk. Dan was het parade van kostumen, en de gouden kettingen en oorhangers uit vroeger dagen kwamen nog eens te voorschijn". Hij, die heel Europa doorkruiste, heeft met zijn ‘Tochtje door het zuiden van Vlaanderen’ de grondslag gelegd voor het kleinschalig eigen streektoerisme. Hij beschouwde deze vorm van toerisme als een verrijkende en ontspannende vrijetijdsbesteding en bovendien leerde hij de mensen met andere ogen kijken naar het omringende landschap: dit is niet enkel een ruimte waarin gelabeurd en gezwoegd moet worden maar het kan ook het kader zijn waarin de mens rust, harmonie en ontspanning vindt. Nu, meer dan honderd jaar later, kunnen we ons de vraag stellen of we zijn boodschap wel goed hebben begrepen en er ook naar handelen. Wattez heeft zijn geboortestreek indringend geanalyseerd en met liefde bezongen in twee literaire genres. De aandacht van de auteur ging vooral naar de lokale bevolking met haar gewoontes, tradities, haar globale leefwereld maar richtte zich ook op het eigenlijke landschap der streek. Beide aspecten, die uiteindelijk één geheel vormen, beschreef Wattez middels twee verschillende genres: de landelijke dorpsnovelle zoals daar zijn "Van twee koningskinderen", "Wouter's jonge jaren", "Kinderweelde", "Germaanse beelden" en "Zwalmleeuwen" en de pure reisbeschrijving. In de periode 1881-1913 strooit Wattez met kwistige hand dus niet minder dan 25 (!) "Zuid-Vlaandersche" novellen uit. Zijn verteltrant, waarmee hij zowel het Zuid-Vlaamse heuvelland als de bewoners ervan beschrijft, is gemoedelijk en geestig, kleurig en boeiend. Wie het zuid-Oost-Vlaanderen van vóór 'de Groote Oorlog' wil leren kennen en hoe er rond 1900 werd geleefd, kan niet aan Omer Wattez voorbij.
Omer Wattez gebruikte de
benaming 'Vlaamse Ardennen' in zijn novelle 'Lentefantazij', die
verscheen in 1889. Omer
Wattez bestempelen als dé uitdenker van die benaming zou misschien wel
onrecht aandoen aan ene Pol De Mont – een letter- en volkskundige uit Roosdaal, weliswaar minder bekend dan Wattez. De Mont was wel meer
gericht op de streek van het Ninoofse, terwijl Wattez vol gevoel dan
weer het gebied Oudenaarde-Ronse-Geraardsbergen beschreef.
De alom gekende volkskundige Renaat Van Der Linden
zette indertijd volgende bedenkingen op een rijtje:
"De naam van Omer Wattez houden
we in eer, zijn rol voor het behoud van onze toeristische waardevolle
Vlaamse Ardennen werd overgenomen. De stichting die zijn naam draagt
ijvert in 19 gemeenten of zowat 120 dorpen voor de bescherming en de
herwaardering van het globale milieu in de Vlaamse Ardennen die...",
zoals de oprichter van deze vereniging Ulrich Librecht terecht opmerkte,
"...een paradijs voor de wandelaar moet blijven". |
|||||||||
| Bronnen
Stadsarchief Oudenaarde - Akten en registers Heurne |
|||||||||
|
Laatste update 24 december 2007 |
|||||||||