|
* GESCHIEDENIS
Meilegem is een dorpje dat door een paar markante feiten zijn
plaats(je) in de geschiedenis verdient.
Meilegem wordt voor het eerst op schrift vermeld in een oorkonde van de
Sint-Salvatorabdij te Ename in 1155.
Toch gaat de geschiedenis
van het grondgebied alleszins terug tot in de prehistorie, meer
bepaald het Paleolithicum – daar zijn de stenen vondsten, gedaan
tijdens de veldprospectie ter plaatse in het gebied rond de
Schelde, door Johan Rommelaere in de periode 1980-1995 de blijvende
getuigen van -
lees verder.
|
* DE
PREHISTORIE |
|
* DE
GALLO-ROMEINSE TIJD |
* DE
MIDDELEEUWEN
Te
vermelden is het jarenlange geschil, waarin Meilegem vanaf
1707 verzeild was met zijn buren Hermelgem, Nederzwalm en
St-Maria-Latem over de afbakening van hun resp. grondgebied. |
* DE
MODERNE TIJDEN
Merkwaardig is dat men in Meilegem proefboringen heeft verricht naar
steenkool. Deze boringen bleven blijkbaar zonder gevolg, zoals
blijkt uit een brief van 1838 (*) aan de
hoofdingenieur van het Mijnwezen (vertaling) : “In 1810 is de
Oudenaardse maatschappij opzoekingen begonnen in de gemeente
Meilegem. Door het maken van een blinde schacht met een diameter van
7 Gentse voet (= 0,275 m) in achtkantige vorm. De schacht is gemaakt
tot een diepte van 300 Gentse voet en zeer goed gestut met
eikenhouten planken van 4 tot 8 duim dikte volgens de kwaliteit van
het terrein en de in bedwang te houden lagen. Bij het uitdiepen van
de schacht tot 30 voet vond men doorlopend een zeer vette blauwe
zandachtige klei, gekend bij de mijnwerkers onder de naam “dieves”.
Op een diepte van 300 voet vond men een laag zand die de ingenieur
aan de opzichters voorlegde die het voor “tourtiau” namen. Aan de
voet van deze laag heeft men een boring gedaan van 40 voet diep.
Dieper is men niet kunnen gaan omdat men op een harde laag stootte.
De deeltjes “schitse” (oliehoudende leisteen) verzameld na het boren
veronderstelden de aanwezigheid van steenkoolrots. Men wilde de
schacht verder uitdiepen, maar het water steeg in de put tot bijna
200 voet hoog. Het gebruik van een brandweerpomp was nodig om het
water uit te pompen. Men riep de aandeelhouders samen, deze deinsden
terug voor de uitgaven en men stopte met graven.” De plaats van de
opzoekingen was bepaald op een evenwijdige lijn van de
steenkoolputten die zich bevonden in de Hartz (Duitsland) en op de
boorden van de Rijn. Later, in 1906, werd nog een boring uitgevoerd
door de “NV Brusselse Boringen” tot een diepte van 241 meter (maar
blijkbaar zonder gunstig resultaat).
(*)
brief in het bezit van R. Bousard, Meilegem
* ONDERWIJS
Meilegem heeft nooit een eigen school gehad. Dat een
dergelijk klein landelijk dorp eigen onderwijs zou hebben is ook niet
vanzelfsprekend. Op het einde van de 16de eeuw kwamen de kinderen uit
het naburige Beerlegem wel naar Meilegem naar school; in 1593 poogt de pastoor
en in 1610 de koster hier een vorm van onderwijs te organiseren, maar beide
pogingen mislukken, zodat er geen school is in 1595, 1597, 1604, 1606 en 1612,
evenmin als in 1649. In 1653 wordt het onderwijs hier verzorgd door
koster-onderwijzer Egidius Herman; in 1656 is het alweer gedaan met het
plaatselijk onderwijs, dan moesten de kinderen daarvoor naar Beerlegem; in 1711
en 1717 tenslotte worden de Meilegemse kinderen onderricht door
koster-onderwijzer Bernardus Herman.
* PATRIMONIUM
De belangrijke gebouwen van
Meilegem zijn die van ieder dorp: de kerk , het oud-gemeentehuis op het rustige
dorpspleintje, de herbergen, de hoeven, maar tot het specifiek waardevol
‘patrimonium’ van Meilegem behoren o.a. de geklasseerde Saksenboom, de
champettersteen, en de ‘oude Schelde-arm’, waar het heerlijk toeven is voor
hengelaars en natuurliefhebbers.
-
de
ST-MARTINUSKERK
Het patronaat over de Meilegemse parochie en kerk werd
uitgeoefend door de O.L.Vrouwenabdij te Affligem en - na de
nieuwe verdeling der bisdommen in 1559 - rechtstreeks door
de aartsbisschop van Mechelen.
Vanaf 1701 eigen pastoor, voordien bediend door de pastoor
van Beerlegem.
|
|
|
|
De voormalige kerk
Over de oude bouwgeschiedenis van de kerk is niets
bekend.
Tot in de 18de eeuw bestond er maar een schamel
kerkje. Op de kaart van Horenbout schijnt het, of er een
kleine zuidelijke aanbouw was, mogelijk een portaal of pseudo-transept.. Op de schets van 1707 wordt de kerk
voorgesteld, gezien uit het noordoosten, als éénbeukig en
met vlak gesloten koor; een portaaltje of ander klein
aanbouwtje ten noorden; en een dakruitertje midden op het
zadeldak. Het ligt in de lijn der verwachtingen (de Schelde
ligt vlakbij!) dat alles gebouwd werd in Doornikse
kalksteen, allicht romaans. Het voetstuk van de romaanse
doopvont is ter plaatse bewaard en te zien. Onder de troebelen ten tijde van de Hervorming heeft
zij niet noemenswaardig te lijden gehad. Er waren immers
eind 16de-begin 17de
eeuw geen uitzonderlijke herstellingswerken nodig.
De deken kan noteren, dat de kerkgoed onderhouden wordt.
Er was heel wat schade aan de daken na de storm van
1612.
|
Rond 1720-'22 (kerkrekening) werd het schalie- en ticheldak
van de kerk hersteld/vernieuwd. In het midden der 18de
eeuw wordt het klokkentorentje hersteld, blijkens de uitgaven
vermeld in de kerkrekening van 1752. De kerkrekening van
1759-'61 betreft een belangrijk maar niet nader omschreven
metselwerk aan de kerk. Te oordelen naar wat rest van de
oudere uitrusting en kunstwerken uit die tijd (preekstoel,
communiebank, stralenmonstrans, missaal) moet er in die tijd
bijzondere activiteit hebben geheerst in Meilegem (en zijn
parochiekerk). Dat blijkt ook uit de talrijke witmarmeren
graven die in de latere kerk werden geplaatst maar uit deze
tijd dateren.
Ze werd echter, zeker na de periode van
welstand, die het dorp kende in de 18de
eeuw, met een gevoelige bevolkingsaangroei tot gevolg, te
klein en op initiatief van pastoor C.De Leenheer werd dan
ook besloten een nieuwe kerk te bouwen. Volgens de
notitie op het plannetje dat bij de attestatie dd. 1784 is
gevoegd, moest de sacristie behouden blijven omdat zij pas 7
jaar voordien (rond 1777) was gebouwd. De klokkenstoel is
gemerkt: FECIT 1784. In 1861 was er een gedeeltelijke
heroprichting van de klokkentoren, wellicht de spits.
Herstellingswerken van toren in 1863 en 1866.
In 1905
vond een
omvangrijke restauratie van de buitengevels plaats
o.l.v. architect M. De Noyette: voegwerk, vernieuwen van sommige stenen,
vensteromlijstingen en ander lijstwerk en het westportaal.
In 1997 vond de laatste restauratie plaats.
|
De huidige
kerk
Gelegen aan de Bareelstraat 3.
Het kerkgebouw is nog steeds éénbeukig en dateert dus uit het laatste
kwart der 18de
eeuw. Ze is opgetrokken in gewone baksteenbarok van toen.
Ook uitrusting en meubilair stammen overwegend uit die tijd.
Typisch voor het Meilegemse kerkgebouw zijn de talrijke in
de architectuur ingewerkte en met haar verbonden
versieringen; de vensteromlijstingen, die onderaan op een
horizontale lijst aansluiten, zijn bovenaan met een
geboetseerde, veelkleurige guirlande versierd.
Omringend kerkhof met lage bakstenen kerkhofmuur, in
1971 geheel wederopgebouwd en afgedekt met cementstenen.
Ten noordwesten, op het kerkhof, vindt men het voetstuk
van de Romaanse doopvont van Doornikse steen uit de 12de
eeuw, bij de bouw van de nieuwe kerk in 1784 naar buiten
overgebracht.
De plattegrond beschrijft een eenbeukig schip van vier
traveeën met ingebouwde vierkante westertoren,
geflankeerd door vroegere doopkapel en rond
traptorentje, ten oosten schuin geplaatste muren
aansluitend bij het smallere koor van één travee met
driezijdige sluiting, en aansluitende sacristie ten
oosten.
Het is een georiënteerde bakstenen plattelandskerk in
classicistische stijl. De westgevel heeft een
steekboogdeur in zandstenen omlijsting met rechte
kroonlijst, bovenlicht opgevuld met modern reliëf,
gesigneerd 'Gemeen'. De ingebouwde vierkante toren heeft
rondboogvormige omlijste galmgaten onder tentdak met
ijzeren kruis en haan. De zij- en koorgevels hebben hoge
steekboogvensters met zandstenen omlijsting met oren en
waterlijst. Gevelbeëindiging d.m.v. zandstenen
kroonlijst. Het flankerend traptorentje heeft een
eikenhouten spiltrap.
Aan de zuidoostelijke gevel van het koor bevindt
zich een witgeschilderd houten Christusbeeld uit de
17de-18de eeuw onder houten luifel.
Het interieur is bepleisterd en werd recent
geschilderd. Het tochtportaal met doksaal stamt uit het
eind der 18de eeuw en is versierd met oudere
beeldengroep. Het flankerend traptorentje heeft een
houten spiltrap. Het schip is overwelfd met tongewelf
met eenvoudige gordelbogen rustend op classicistische
consoles. Onder de vensters bevinden zich
segmentboogvormige nissen. Gelijkaardige polychrome
guirlande met cherub op de triomfboog. In koor vier
gecanneleerde pilasters met Ionisch kapiteel, brede
gordelbogen met stucwerk met bladmotief; decoratief gesculpteerd en deels verguld stucwerk op de muren aan
weerszij van het hoofdaltaar met de trofeeën van het
Oude en Nieuwe Testament. Op gewelf lijstwerk en H.
Geest-duif in stralen- en wolkenkrans.
Meubilair: Beeldhouwwerk: "H. Martinus deelt zijn
mantel uit", houten beeldengroep uit de 17de of 18de
eeuw - op het doksaal boven tochtportaal: buste van de H. Martinus - ook reliekhouder, in de nis op het
zuidelijke zijaltaar, beschilderd en verguld hout
vermoedelijk van 1752 door J. Van der Haeghen - gekleed
O.-L.-Vrouwebeeld uit de 18de of 19de eeuw in beglaasde
nis op het noordelijk zijaltaar - 19de-eeuws kruisbeeld
uit hout en ijzer; polychrome plaasteren heiligenbeelden
in nissen onder de vensters.
Er zijn een hoofdaltaar en twee gelijke zijaltaren van
O.-L.-Vrouw ten noorden en St.-Martinus ten zuiden, van
geschilderd en verguld hout uit het laatste kwart der
18de eeuw; het hoofdaltaar heeft een tabernakel in
rococostijl versierd met muurvaste in hout gesculpteerde
triomfmantel met later toegevoegde beelden van O.-L.-Vrouw
en St.-Jan, erboven God de Vader in de wolken met
cherubs. Eikenhouten koorgestoelte in Lodewijk XVI-stijl
uit eind 18de eeuw. Gedeeltelijk behouden communiebank
van eikenhout van 1752 door J. Gimbersie (Oudenaarde),
in 1966 afgebroken en verplaatst. Fraaie eiken kansel in
rococostijl met kuip op console en met steektrap hangend
aan de noordmuur, in rococostijl, gedateerd 1758 op de
deur en in drie chronogrammen op de kuip. Eiken
biechtstoel uit tweede kwart der 18de eeuw met medaillon
met St.-Pieter. Het orgel dateert uit de 19de eeuw en
werd door Daem (Appelterre)
aangepast in 1907.
De 18de-eeuwse marmeren doopvont heeft een koperen
deksel. Twee 18de-eeuwse schelpvormige stenen
wijwatervaten naast portaal. Neogotische geschilderde
kruiswegtaferelen in houten omlijsting. Vensters in
schip met glasramen met heiligenfiguren naar een ontwerp
van G. Minjauw werden uitgevoerd door het atelier
Mestdagh in de periode 1984-'87 en zijn gevat in
omlijsting met veelkleurige guirlande als sluitstuk. De
glasramen in het koor hebben een geometrisch motief.
Er zijn verschillende oude grafmonumenten en epitafen ingewerkt
in muren en vloer.
|
|
|
|
|
|
Bronnen:
RAG, Provinciaal Archief,
1851-1870, nr. 1794/4. RAG, Bisdom, M 86.
De Noyette G. - Hoebeke M., Dorpsbeelden uit het verleden,
Zwalm, Nazareth, 1994, p.85.
Dhanens E., Kanton Sint-Maria-Horebeke, Tekst, Inventaris
van het Kunstpatrimonium van Oost-Vlaanderen, VII, Gent,
1971, p. 77-89.
Dhanens E., Kanton Sint-Maria-Horebeke, Illustratie,
Inventaris van het Kunstpatrimonium van Oost-Vlaanderen,
VIII, Gent, 1971, p. 122-129.
Vandenbussche-Van den Kerkhove Ch., Fotorepertorium van het
meubilair van de Belgische bedehuizen, provincie
Oost-Vlaanderen, Kanton Brakel, Brussel, 1980, p. 62-64.
|
- de CHAMPETTERSTEEN:
|
In de dorpskern
van Meilegem, aan de kruising van de Meilegemstraat en de Bareelstraat,
kan men een blok Doorniks kalksteen zien, dat afkomstig zou zijn van een
romaanse doopvont uit de vorige kerk van Meilegem. Het kan dateren uit
de 12de eeuw (Dhanens, 1971, pp.77-89, fig 118). Oudere
inwoners hebben het in dit verband over ‘de champettersteen’. De
veldwachter placht immers van op deze steen de (gemeente)berichten om te
roepen na de zondagsmissen |
 |
- het (oud-)GEMEENTEHUIS
|
 |
Het dorpsplein heeft door de talrijke vernieuwde
gevelbezettingen der huizen en de uniforme moderne
bestrating een stuk van zijn landelijk karakter verloren.
Toch bleven het algemeen zicht en de rustige sfeer bewaard.
Als onderdeel van dit dorpsplein draagt het oud-gemeentehuis
hier alleszins toe bij.
Naar mensenheugenis was het gemeentehuis altijd
ondergebracht in de gelijknamige herberg op de hoek van de
steenweg en het dorpsplein. Na de eerste fusie van gemeenten in 1970 werd
het café 'de Klok'.
Het
oud-gemeentehuis is dus gelegen Meilegemstraat 21.
Het is een eenvoudig rechthoekig gebouw. Het vertoont een
lage lijstbouw met gemoderniseerde voorgevel die ingedeeld is in 3
travee-groepen. De linkergevel is ouder. Er is een vernieuwde garage-aanbouw
rechts, onder een oudere bedaking.
Conceptueel werd dit gebouw wellicht als woning en als
boerderij opgetrokken. Stillistisch is het gebouw niet te bepalen. Het geheel
lijkt oorspronkelijk in de U-vorm aangelegd en in traditioneel landelijke
architectuur opgericht. Het oudste element is de schuur. De woning zelf lijkt
een 20ste –eeuwse verbouwing die nadien zelf nog eens van een
nieuwere voorgevel werd voorzien. Het gebouw is typologisch veeleer als
boerderij en als dorpswoning te beschouwen.
Het dorpsplein heeft door de talrijke nieuwe gevelbezettingen
en de uniforme bestrating een deel van zijn landelijk karakter verloren. De
algemene aanleg en de rustige sfeer zijn toch bewaard gebleven. Als onderdeel
van dat dorpsplein draagt dit oud-gemeentehuis bij tot die sfeer.
|
- de
(oud-)PASTORIE
|

|
|
Aan de Meilegemstraat nr. 62. Voormalige
pastorie, gelegen ten noorden naast de kerk. Huis met
dienstgebouwen in U-vormige opstelling rondom
voortuintje met vernieuwde afsluiting.
Classicistisch herenhuis van vijf traveeën en
twee bouwlagen onder een zadeldak van pannen,
daterend van 1784, het jaar waarin ook de kerk
heropgebouwd werd.
Dit gebouw verving de oude pastorie van één
bouwlaag hoog. Restauratie in 1856 met o.m. het
plaatsen van 22 vensters.
Werd gerestaureerd rond 1967 en in 1999-2000
volledig gerenoveerd.
Er is een beraapte en witgeschilderde lijstgevel
met dubbelhuisopstand onder eenvoudig
hoofdgestel rustend op vier classicistische
consoles. Rechthoekige vensters met houten
kruiskozijnen en deur in vlakke omlijsting;
benedenvensters met persiennes. Flankerende
lagere zijtrav. onder lessenaarsdak met oculus
in geveltop. Gecementeerde achtergevel met
rechthoekige vensters, voorheen met luiken aan
benedenvensters, cf. bewaarde duimen, en
gedichte deur. De linker zijpuntgevel heeft twee oculi en
een sierlijk anker in geveltop.
Interieur. Twee aansluitende overwelfde kelders.
Eikenhouten bordestrap in classicistische stijl
met gesculpteerde trappaal en balusterleuning.
Eikenhouten paneeldeuren. Ruim salon met
drieledig gepleisterd plafond en classicistische
marmeren schouw en stucversiering op
schouwmantel. Kamer achter het trappenhuis met
classicistische stucschouw tussen vaste eiken
kastjes in dezelfde stijl.
Bronnen: RAG, Provinciaal
Archief, 1851-1870, nr. 1794/4. RAG, Bisdom, M
86.
|
|
- de HERBERGEN
1. Verdwenen herbergen
2. Café ‘De Klokke’:
zie het oud-gemeentehuis.
- de HOEVEN
1. Verdwenen hoeven en pachten
|
2. De 'Kaaihoeve'
|
3. De andere hoeven
Hoeve
Aan de Bareelstraat
nr. 5. Vrij recente hoeve met beeldbepalende
inplanting ten noorden naast de kerk en met
bedrijfsgebouwen palend aan het kerkhof.
Het boerenhuis dateert volgens het kadasterarchief van
rond 1919 en heeft
drie traveeën en twee bouwlagen met links de inrijpoort,
opgenomen in het huis onder het doorlopende zadeldak.
Gecementeerde en verankerde lijstgevel met een rechthoekige deur.
Er zijn rechthoekige benedenvensters en licht getoogde bovenvensters met bewaard houtwerk. Links
is er de
rechthoekige doorrit naar het erf met dienstgebouwen uit
de jaren 1930.
Vroegere hoeve met losse bestanddelen
Gelegen aan de Oude Scheldestraat nr. 11.
Het is een aan de straat en oude Scheldearm gelegen voormalige hoeve met losse
bestanddelen, aan de straatkant afgesloten door
bakstenen muur. Achterin voorhof gelegen
boerenhuis van drie traveeën en twee bouwlagen onder
tentdak (van mechanische pannen), uit het tweede
kwart der 19de eeuw.
De bakstenen gevels zijn afgelijnd door een getrapte
kroonlijst. De vernieuwde rechthoekige vensters
hebben
luiken. De deuromlijsting van gesinterde
baksteen is behouden. Aan de straatkant staan verbouwde magazijnen
uit de 19de eeuw.
|
- de
(verdwenen) WATERMOLEN
- de 'SAKSENBOOM'
Een volwassen Hollandse linde, die zich bevond op de
kruising van de wegen Oosterzele-Nederzwalm en
Beerlegem-Gavere, op een perceel, indertijd door de
Meilegemse familie Sackx aan de plaatselijke kerkfabriek
geschonken. Als duidelijk herkenningspunt in het destijds
nog open landschap, fungeerde de statige boom als
verzamelpunt voor de politiepatrouilles van de drie
belendende gemeenten (Meilegem, Dikkelvenne-Gavere en
Oosterzele).
|
.jpg)
de statige 'Saksenboom' zoals
hij tot
2003 in al
zijn pracht prijkte |
|

De in 2004 aangeplante
nieuwe jonge
Saksenboom |
-
de OUDE SCHELDE-ARMEN:
In de Scheldevallei te Meilegem liggen nog een aantal oude
Schelde-armen, die nu een veelbezochte pleisterplaats vormen voor
hengelaars. In de nabijheid van die plaatsen werd overigens een
picknick-weide aangelegd waar toeristen ongestoord kunnen verpozen
en eventueel eten. Op dit deel van de Schelde wordt bij mooi weer
wel eens gewaterskied.
Foto’s
Voordat de
Schelde gekalibreerd was, konden schepen hier aanleggen aan een
loskaai om hun goederen (o.a. steenkool) te lossen. Vandaar dat de
hoeve in de nabijheid de benaming
De 'Kaai'
kreeg.
- ANDER PATRIMONIUM
1. De Beekmeers:
is een hoger gelegen gehucht met een onvergetelijk zicht op het
Scheldedal. Op de achtergrond ziet men bij helder mooi weer zowel de
St-Walburgatoren van Oudenaarde als meer zuidoostwaarts de kerk van
St-Maria-Latem en helemaal links de bossen van Beerlegem.
2. de WEGKAPELLEN
Kapel van H. Barbara, wegkapel -
Aan de Oude
Scheldestraat, z. nr. - een eenvoudige rechthoekige bakstenen
wegkapel onder zadeldakje (pannen), vlg. hetkadasterarchief
vermoedelijk gebouwd door de kerkfabriek in 1903. Is
toegankelijk via rondboogdeurtje aangebracht in spaarveld met
lisenen en tandlijst. Binnenin zijn er sporen van polychrome
muurschildering van imitatievoegen en gestileerd motief en een
plaasteren H. Barbarabeeld op sterk beschadigd altaar.
|
|
* FIGUREN
In Meilegem leefden een paar Zwalmse wielerpioniers, en is
Michel Baele – gewezen steenbakker en … ex-cyclocrosser – woonachtig. Ook Louis De Scheerder,
de man van de hondenkoers, was een gekende Meilegemnaar, die jarenlang zorgde
voor een stukje traditie.
René
en
Lucien ANNO
|

René Anno |
René
Anno werd te Meilegem geboren op 6/9/1887 als zoon van
Sictus, een landbouwer en Rosalie Matthijs. Stond dan ook
bekend als 'Sictus'. Huwde in 1912 met de Zingemse Odile
Vermeulen. Gingen in Zingem wonen. Op zijn hoogtepunt als
renner won hij 63(!) koersen op een jaar. In 1909 reed hij
van 8 tot 15 augustus de Ronde van België en won ze met
32(!) minuten voorsprong. In 1911 won hij de Grote Prijs van
Brussel en kreeg persoonlijk de felicitaties van koning
Albert I. In 1912 werd hij er 2de. In 1913 werd hij te
Koolskamp Kampioen van Vlaanderen. In 1914 reed hij samen
met de favorieten aan de leiding in Parijs-Roubaix, toen hij
door een val werd uitgeschakeld. Na de oorlog 1914-'18, die
elke wieleractiviteit lamlegde, vond hij in 1918 - hij was
toen 31 jaar - zichzelf te oud om 'zich met de jongeren te
meten'. Hij werd fietsenhandelaar.
Lucien
Anno
|
Michel BAELE ,
veldrijder-steenbakker
|
|
 |

Michel in actie tijdens het
kampioenschap van België
Cyclocross 1972. |
 |

Afscheid van de
cyclocross op 21 december 1974, in
het gezelschap van Roger De Vlaeminck. |
|
|
|

De steenbakkers aan de arbeid; baas
Michel
(uiterst links)
kijkt
aandachtig toe. |
 |

Michel Baele anno 2000 |
LOUIS DE SCHEERDER
zie de hondenkoers
|
|

Louis (re) met
zijn onafscheidelijke hond Tommy (li) |
|
|
Albert BAERT ,
de laatste koster -
Albert was eigenlijk schoenmaker van stiel, 22 jaar
lang. Toen in 1954 de pastoor (Van Goethem) hem daarom
vroeg – de koster moest het wegens ziekte opgeven -,
werd hij na lang aandringen koster. Dat was wel een
probleem, want Albert kende geen noot muziek en van
Latijn had hij helemaal geen kaas gegeten. Hij ging toen
zo’n 8 weken in de leer bij de toenmalige koster van
Baaigem, meester De Geyter – eerst bij De Geyter
thuis, later op het orgel in de Baaigemse parochiekerk. Zijn
vuurdoop kreeg hij op Pasen 1954; om zich verder te bekwamen in
het orgelspelen, kocht hij zich een tweedehandsorgeltje. Omdat
Baert thuis werkte, viel dat makkelijk te combineren met zijn
kostersambt.
Erwin DE COLFMACKER, advocaat-politierechter -
Geboren in 1953, studeerde hij in 1976 af als licentiaat
in de rechten, in 1980 officieel aangesteld als advocaat
aan de balie. Op 27.1.1983 werd hij benoemd als
substituut-procureur des Konings. Hij bekleedde die
functie ruim 15 jaar, tot hij in februari 1998 werd
benoemd tot politierechter naast Gilbert Callens.
|
|
* BESCHERMDE MONUMENTEN & LANDSCHAPPEN
In Meilegem zijn wettelijk beschermd:
- de zogeheten ‘Saksenboom’
-
door het KB van 25.7.1942. Desondanks werd hij (met goedkeuring(!)
van de dienst Monumenten & Landschappen) geveld in 2003, omdat hij
naar verluidt was aangetast door ziekte...
- het orgel in de
St.Martinuskerk -
Het instrument, dat vermoedelijk dateert uit de eerste helft der
19de
eeuw, is beschermd als monument door het KB 4/3/1980.
|
- de oud-pastorie

|
Omtrent de bouwdatum is
mij niks bekend; in de 17de eeuw had Meilegem nog geen
pastorie, wel in 1717. Het aanvankelijk 'kurenhuys' staat
dan op een schetsje afgebeeld als een enkelvoudige bouw met
de deur in het midden van de langsgevel, met schilddak en
één enkele schoorsteen op het midden van de nok.
In 1789 liet de toenmalige pastoor C.P. De Leener voor 5.977
gulden 11 stuivers een nieuwe pastorie bouwen. Ze werd in
1967 gerestaureerd.
Het gebouw bevindt zich aan de Meilegemstraat nr. 62.
Het is de voormalige pastorie, gelegen ten noorden naast de kerk.
Het betreft een huis met dienstgebouwen in U-vormige
opstelling rondom voortuintje met vernieuwde afsluiting. Het
is een classicistisch herenhuis van vijf traveeën en twee
bouwlagen onder zadeldak (pannen), daterend van 1784 (ook
het jaar van de wederopbouw van de kerk), ter vervanging van
de oude pastorie, die één bouwlaag hoog was. Werd
gerestaureerd in 1856, met o.m. het plaatsen van 22
vensters. Gerestaureerd rond 1967 en in 1999-2000 volledig
gerenoveerd.
Het huis heeft een beraapte en witgeschilderde lijstgevel
met dubbelhuisopstand onder eenvoudig hoofdgestel rustend op
vier classicistische consoles. Er zijn rechthoekige vensters
met houten kruiskozijnen en een deur in vlakke omlijsting;
de benedenvensters hebben persiennes. Er is een flankerende
lagere zijtravee onder lessenaarsdak met een oculus in de
geveltop. De gecementeerde achtergevel heeft rechthoekige
vensters, voorheen met luiken aan benedenvensters, blijkens
de bewaarde duimen, en een gedichte deur. De linker
zijpuntgevel heeft twee oculi en een sierlijk anker in de
geveltop.
Interieur: er zijn twee aansluitende overwelfde kelders. De
eikenhouten bordestrap is in classicistische stijl met een
gesculpteerde trappaal en balusterleuning. Er zijn
eikenhouten paneeldeuren. Het ruime salon heeft een
drieledig gepleisterd plafond en een classicistische
marmeren schouw met stucversiering op de schouwmantel. De
kamer achter het trappenhuis heeft een classicistische
stucschouw tussen vaste eiken kastjes in dezelfde stijl.
Bron:
RAG, Provinciaal
Archief, 1851-1870, nr. 1794/4. RAG, Bisdom, M 86.
|
|