|

Wie hem tot het laatst
heeft gekend
zal zich hem zo herinneren...
|
Marcel De Boe werd geboren in Ophasselt op 19
augustus 1925.
Na zijn studies in de rechten aan de Leuvense
universiteit vestigde hij zich in Zottegem als advocaat.
Tijdens WO II geraakte hij, door zijn Vlaamsvoelendheid, betrokken bij
een aantal activiteiten, waardoor hij tijdens de repressie na WO II werd geroyeerd
als advocaat bij de balie.
Hij was ondertussen onder de indruk
gekomen van de schoonheid van de Zwalmstreek.
Toen na WO II de activiteiten in tal van watermolens stilvielen door een
aantal factoren, spande Marcel zich in om deze brokken industriële
archeologie te bewaren voor het nageslacht. Hij kocht twee van die
watermolens (de Yzerkotmolen in Sint-Maria-Latem en de Zwalmmolen te
Munkzwalm) en richtte ze in tot attractieve horecazaken.
Zijn levensdoel werd het revaloriseren van
de streek. Een
initiatief, dat in de ‘golden sixties’ – de tijd waarin de
vrijetijdsrecreatie in eigen streek werd verlaten ten voordele van
bruisend ontspanningsleven in steden en buitenlandse reizen naar zonnige
vakantiebestemmingen – erg gedurfd en ietwat utopisch leek. |
|
Toen op 1 september 1963 de taalgrenswet in werking
trad, behoorde hij tot de harde kern activisten, die ageerden tegen het
aanhechten van de Vlaamse wijk D’Hoppe bij Flobecq (Vloesberg) en de
provincie Henegouwen. Een tijdlang nam hij fanatiek deel aan de talrijke
manifestaties daartegen die in het omstreden gebied plaatsvonden.
Daar zou hij zich,
door het nemen van talloze initiatieven ontpoppen tot een echte promotor
voor het Zwalmtoerisme, dat voordien nog vrijwel onbestaande was. In 1967 werd onder zijn impuls besloten een niet-officiële VVV te
stichten. Eind de jaren '60 zagen de eerste Munkzwalmse toeristische
brochuurtjes het daglicht onder de titel 'Kent U de Zwalm ?'. Nog
datzelfde jaar liet hij de eerste toeristische kaart 'De Zwalm' van de
persen rollen. In '72 werd de eerste Watermolenroute ingereden en
geraakte zijn VVV na een paar moeilijkheden officieel erkend door de
Federatie voor Toerisme van Oost-Vlaanderen.
Zelf nam hij vanaf 1978, na het vrijkomen van het contract, de uitbating van de Zwalmmolen ter harte,
nadat hij eerst de Munkzwalmse
Paula Ockerman
een tijdje de molen had
laten openhouden. Er moet toen tussen beide een haar in de boter
gekomen zijn, maar het fijne daarvan is me niet bekend... Hoe dan ook, Paula
en Marcel zouden nooit meer goede vrienden zijn... Paula werd als
gerante uit de molen gezet.
Strijdlustiger dan ooit werd hij op het toeristische toneel erg
bedrijvig: hij richtte een landbouwmuseum in, dat al in 1979 met de
nodige luister werd geopend In '84 verscheen van zijn hand
het boekje 'Beschermde kerkjes in Zwalm'. Hij pleegde talloze
persartikelen over het verfraaien van de dorpskernen (hij viseerde
vooral de smakeloze reclameborden op toeristische plekjes) en ...het
zuiveren van de beekjes en 'zijn' rivier de Zwalm - daarbij kwam hij
meer dan eens in aanvaring met de streek- en lokale politici. Omdat hij wist dat een toeristische valorisatie van
de Zwalmstreek slechts kon slagen wanneer de Zwalmrivier aantrekkelijk
werd en dus…proper, ging hij verwoed actie voeren, tot en met het voor
de rechtbank dagen van een aantal vervuilers. Zijn volgehouden
(aan)klachten, die hem o.a. een paar maal in conflict brachten met de
plaatselijke bestuurders (i.v.m. de talloze reclameborden langs de
openbare weg op toeristische plaatsen) en die ook door de regionale
overheid niet steeds in dank werden afgenomen – hoe kan het ook anders?
– bleek toch voor diezelfde overheden achteraf één der impulsen om
sneller werk te maken van de zuivering van het Zwalmwater en zich
intenser in te zetten voor de opwaardering van het Zwalmtoerisme.
Omdat ook de
folklore van ‘zijn’ streek hem nauw aan het hart lag, bouwde hij het
zgn. ‘molenhuis’ van zijn Zwalmmolen uit tot een echt centrum van het
Zwalmtoerisme, met wekelijks exposities van lokaal en zelfs nationaal
bekende kunstenaars. Verder stond hij in voor de organisatie van allerlei
evenementen en festiviteiten, die alles van doen hadden met de culturele
en toeristische promotie van de streek: de inrichting van vele
kunstexposities, de oprichting van ‘de orde van de geuteling’, de
Zwalmse mattetaartenfeesten, de oprichting van ‘de Vrienden van de Zwalm’.
Als voorzitter van de Zwalmse afdeling van de VAB-VTB verzorgde hij de
publicatie van een groot aantal dag- en weekbladartikels, infoboekjes en
wandelbrochures over de streek in het algemeen en over Zwalm in het
bijzonder.
Omer Wattez
beschouwde hij als zijn geestelijke vader.
Door zijn diverse (en soms gedurfde) tussenkomsten,
waarbij gretig gebruik maakte van de pers en van zijn talrijke
toeristische bezoekers werd hij wel stilaan een controversieel man. Dat
imago werd nog versterkt door het duister waas dat over zijn zgn.
‘oorlogsverleden’ hing en dat hij misschien willens nillens in stand
hield door zijn volgehouden omgang met ‘vrienden’ uit die tijd, dat
alles ten bate van zijn vlaamsvoelendheid.
Sommigen verweten hem zijn impulsiviteit, zijn veelal
ongenuanceerde zienswijze en zijn weinig diplomatische aanpak. Anderen
verdachten hem ervan te handelen vanuit mercantiele doeleinden ten bate
van zijn handelszaken (Zwalmmolen en Molenhuis). ‘Geen sant in eigen
land’, een gezegde dat dus ook opging voor De Boe. Al had hij voor
velen, die hem wat beter kenden, meer weg van een Don Quichote, die in
zijn wapenrok van welgemeend idealisme ten strijde bleef trekken tegen
gesofisticeerde politieke, juridische en administratieve mallemolens.
Eén van zijn laatste publicaties was trouwens een brochure, waarin hij
de corrupte binnen het gerecht hekelde.
Hij overleed te vroeg op 1 april 1989, amper 63 jaar
oud, aan de gevolgen van een verkeersongeluk te Herenthout, in het
Herentalse ziekenhuis St-Elisabeth. |
|
Op 4 november 1989 al werd in beperkte kring een herdenking gehouden,
waarbij toespraken werden gehouden door zijn vrienden Albert De Geyter
(van de Zwalmse VVV), Dr. Fernand Van Nieuwenhove (namens 'de Vrienden
van de Zwalm') en Germain De Rouck (van 'de Zuidvlaamse Kultuurkrant').
Volkskundige Renaat Van der Linden sloot zich hierbij aan en noemde
Marcel De Boe 'een reus'.
Op 28 april 1990 werd te zijner ere en nagedachtenis
een publieke huldedag gehouden in en rond zijn Zwalmmolen, waarbij naast een
fototentoonstelling en diamontage over Marcel ook de onthulling
plaatsvond van een bronzen gedenkplaat aan de muur van de molen.
Het slotwoord was voor de partner, die zijn laatste levensjaren aan
zijn zijde had doorgebracht en instond voor de commerciële uitbating van
de Zwalmmolen, Irène Rombouts, die een pleidooi hield voor 'het
landelijke en kleinschalige i.p.v. het grootschalige'.

Zijn partner Irène Rombouts
|
 |

Germain De Rouck en Albert De Geyter
|
|