Tot voor enkele decennia berustte de kennis van
de Merovingische beschaving in ons land uitsluitend op het onderzoek van
de begraafplaatsen (voor Oost-Vlaanderen werden merovingische sites
ontdekt en onderzocht in Asper, Denderwindeke, Beerlegem en
Waasmunster). De chronologie van deze begraafplaatsen toont aan dat deze
kolonisatie in twee fazen is verlopen. De vroegste necropolen
(o.m.Tournai Saint-Brice, Sint-Gillis-Dendermonde en Semmerzake) worden
rond het midden van de 5de eeuw in gebruik genomen. De tweede groep
(o.m. Asper, Velzeke, Kruishoutem) vanaf ca. 475. Uit archeologische
vondsten blijkt dat bij deze immigratiegolven niet louter Franken, maar
ook groepen uit de regio rond en ten noorden van de Rijnmonding en
families uit het noord-Duitse kustgebied betrokken waren. Tenslotte zijn
er ook aanwijzingen voor de aanwezigheid van restgroepen van het
laat-Romeinse leger (Thuringi en Elbegermannen) in onze regio.
INLEIDING
Wanneer het Romeinse Rijk over zijn hoogtepunt heen
is, dringen hier de Germaanse Franken binnen. Uit de geleidelijke
versmelting van hun leefgewoonten met die van de Gallo-Romeinen en die
van het moeizaam veld winnend christendom ontstaan de 'middeleeuwen'. De
Merovingische vorst Clovis 'bekeert zich' en regeert aanvankelijk vanuit
Doornik.
Nadat
de Germaanse aanwezigheid in het Romeinse imperium geleidelijk groeide
vanaf de 2de-3de eeuw na Xus, hetzij als zgn. 'foederati' (=
bondgenoten, die onder eigen leiders de grenzen verdedigden), hetzij als
'laeti' (gevangen Germanen die als landbouwers-krijgers in ontvolkte
gebieden werden geplaatst), werd door de immigraties van de late 4de
eeuw de basis gelegd voor de germanisering van Vlaanderen, gebeurde de
grote en finale doorbraak van de romeinse rijksgrenzen op oudejaarsavond
van 406 na Chr. Onze streek ontsnapte aan deze verwoestende invasiegolf
dankzij de weerstand van de hoger vermelde Frankische foederati. Deze
profiteerden wel van het verdwijnen van het romeinse bestuur om hun
gebied naar het zuiden uit te breiden en hun eigen koninkrijken te
stichten.
In 476 werd de laatste keizer van Rome afgezet door Odoaker,
hoofd van de Germaanse hulptroepen. De naam van die keizer was Romulus
Augustulus, een spotnaam, want Augustulus betekent Klein Augustje. Dat
was hij ook, een kind dat in 475 op de troon werd gezet en nauwelijks een jaar
later op pensioen werd gestuurd. De ironie van de geschiedenis: Het Romeinse
Rijk, dit machtige Rijk, in 753 vóór Christus gesticht door Romulus, een duchtig
krijger en zoon van de god Mars, eindigde met een onmondig kind.
Het betekende het einde van het Romeinse rijk én het einde van de Oudheid.
Een nieuwe periode deed zijn intrede in de geschiedenis: de
Middeleeuwen
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
Wie waren die Franken? Wie waren die
'barbaren' die door de Romeinen maar niet
klein gekregen konden worden en die diezelfde Romeinen ten slotte uit onze contreien
zouden verdrijven? De naam 'Franken' is in feite een verzamelnaam voor verscheidene
groepen volksstammen waarvan de twee voornaamste de Salische
Franken of Salïërs en de Ripuariërs zijn. Het waren de
Salische Franken die zich het eerst in onze gewesten vestigden; eerst in de
Kempen, langs de Grote en Kleine Nete en later in Noord-Brabant, in de streek
van Reusel en Eersel. Die kolonisatie zou zich later uitbreiden en uitlopen op
de totale verovering van geheel Gallië.
De Franken,
opkomend vanuit het oosten, slaagden er in het jaar 356 in de Rijn over te
steken en het gebied van Tongeren binnen te dringen en te bezetten. Die
bezetting was echter van korte duur, want reeds kort daarop, in 358, werd het
grootste gedeelte van de Frankische invallers door de Romeinen op de vlucht
gedreven. De Romeinen waren onder het bevelhebberschap van keizer
Flavius Julianus, bijgenaamd de Apostaat (de afvallige).
Ondanks zijn overwinning had Julianus deze Franken niet over de Rijn kunnen
terugdrijven. Zoals altijd wanneer de Romeinen met een of andere invaller een
overeenkomst moesten sluiten, verkregen de Franken de titel van
foederati (bondgenoten). Deze titel liet aan de achtergebleven Franken
toe het veroverde gebied te behouden, op voorwaarde het in naam van het
keizerrijk tegen om het even wie te verdedigen. Zo bevond de eerste nederzetting
van de Franken in onze gewesten zich in de zandige en barre streken van
Taxandrië (zowat het huidige Vlaams en Nederlands sprekende
Brabant). Van dan af begon de zogenaamde Frankische kolonisatie, een kolonisatie
die aan de bakermat lag van ons volk en onze taal.
De start daartoe werd gegeven in 406 wanneer de Alanen, de Vandalen en de
Oostgoten, voort gezweept door de Hunnen die vanuit Azië naar Centraal Europa
oprukten, massaal de Rijn overstaken en als een vloedgolf van woeste hordes zich
over Gallië verspreidden. Te midden deze verwarring, die door die
volksverhuizing was veroorzaakt en gepaard ging met verwoesting, plundering,
brandstichting en verkrachting, trokken de Franken vanuit onze streken naar het
zuiden op zoek naar nieuwe gronden.
Zo maakten zij plaats voor een tweede
kolonisatiegolf van Saliërs en Ripuariërs, die op hun beurt de Rijn overstaken
en de streek tussen het huidige Maastricht en Tongeren bezetten. Van daar uit zijn ze verder getrokken naar het westen en hebben ze de streek
rond Antwerpen en het gehele Leiegebied gekoloniseerd, maar tot aan de Vlaamse
kust zijn ze nooit doorgedrongen. Hun opmars in die richting werd gestuit door
het zogenaamde Kolenwoud dat zich uitstrekte tussen Sint-Niklaas in het noorden
en de Samber in het zuiden. Bovendien was heel het Vlaamse kustgebied tegen het
einde van de 4de eeuw volledig onder water gelopen. De schaarse bevolking die er
nog leefde, nakomelingen van de Morinen en de Atrebaten, hadden naar het
binnenland de wijk genomen. Alleen het Vlaamse Woud, dat zich in zuidwestelijke
richting uitstrekte langs de rechteroever van de IJzer, bleef van de
overstroming gespaard. In de 7de eeuw had de zee zich echter teruggetrokken en
waren het de Friezen die, samen met de Saksen, bezit hebben genomen van maritiem
Vlaanderen.
Overigens moeten we ook vertellen dat overal waar in onze contreien de
Frankische kolonisatie met de Oudfrankische taal is doorgedrongen, de Vlaamse
bevolking is ontstaan, wiens taal later zou uitgroeien tot het
middeleeuwse Vlaams.
De Salische Franken die vanuit Taxandrië naar het zuiden waren getrokken,
hadden ondertussen omstreeks 431 Doornik bereikt. Deze stad was toen nog steeds
in het bezit van de Romeinen, zodat hier opnieuw slag moest worden geleverd om
verder te kunnen trekken.
Chlodio, de eerste Frankenkoning
Chlodio, de eerste Frankenkoning, uit
het geslacht der Merovingen, overviel met zijn krijgers de Romeinse wachten en
nam na een kort gevecht bezit van de stad die hij uitriep als centrum van zijn
macht.
Wanneer Chlodio rond 430-440 vanuit zijn zetel Dispargum in
Toxandrië de zuidwaartse expansie van de Salische Franken inzet,
verplaatst het machtscentrum zich definitief naar `Noord-Gallië. De
meeste Franken zijn bij deze veroveringstocht hun leider gevolgd; zij
keerden hun woongebieden in de Kempen en Noord-Brabant definitief de rug
toe - het bewoningsvacuüm dat hierdoor ontstond, zou pas opnieuw
opgevuld geraken rond het midden van de 6de eeuw.
Vanuit Doornik heeft de Frankische veroveringstocht zich verder naar
het Zuiden ontwikkeld. Tussen 431 en 451 veroverden zij Kamerijk en Atrecht. Van
daaruit stootten zij door tot aan de Somme en namen zij bezit van de streek rond
Calais, waar hun taal tot in de 11de eeuw zou voortleven.
Maar wee de bevolking van de dorpen en nederzettingen waar ze voorbijkwamen.
De mannen en vrouwen die niet tijdig konden vluchten werden gedood en de jonge
vrouwen werden geroofd om als slavinnen te dienen. Het vee werd meegevoerd, de
hoeven geplunderd, de buit op logge karren opgestapeld en wat overbleef
platgebrand.
Childerik
Chlodio's zoon, Childerik, zette na de dood van
zijn vader in 477 de veroveringstocht door Gallië verder naar het westen en naar
het zuiden. Hij stierf in 481 en werd opgevolgd door zijn zoon
Clovis. Wanneer Childerik zijn machtscentrum in Doornik
vestigt, krijgt de Germaanse kolonisatie in het Scheldebekken een nieuwe
impuls. De vruchtbare landbouwgronden en de rivieren, die belangrijke
handelsroutes waren geworden, vormen hierbij de attractiepolen.
Met de kolonisatie in de tweede helft der 5de eeuw werd de germanisering
van de Vlaamse en Noord-Franse kustzone en van het Scheldebekken,
dat óns aanbelangt, geconcretiseerd. De immigraties van de 6de en 7de
eeuw hebben het Germaanse blok in vernoemde gebieden verder versterkt en
de leemtes die er nog waren in o.a. de Kempen en Noord-Brabant opgevuld.
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
In 476 was ondertussen de laatste keizer van Rome, Romulus
Augustulus - een spotnaam, want Augustulus betekent Klein Augustje
(1) - afgezet door Odoaker,
hoofd van de Germaanse hulptroepen. Het betekende het einde van het Romeinse rijk én het einde van de Oudheid.
Een nieuwe periode deed zijn intrede in de geschiedenis: de
Middeleeuwen die begonnen met wat we de vroege Middeleeuwen of
ook soms wel de donkere Middeleeuwen noemen. Donker, want met de val van het
Romeinse Rijk viel ook de Romeinse beschaving. De geschreven taal kween weg, de
Romeinse cultuur en bestuursvormen raakten verloren. De gesofistikeerde Romeinse
rechtspraak maakte plaats voor een rechtspraak waar de rechter niet naar
bewijzen vroeg, maar die werd beslecht door gruwelijke tweegevechten die op
leven en dood werden uitgevochten in de naam van God. De overwinnaar had altijd
gelijk, zo had God beslist. De overgang van de Oudheid naar de Middeleeuwen was brutaal, gewelddadig,
wreed en meedogenloos. Maar... welke periode in de geschiedenis was dat
niet?
(1) Dat
was hij ook, een kind dat in 475 op de troon werd gezet en nauwelijks een jaar
later op pensioen werd gestuurd. De ironie van de geschiedenis: Het Romeinse
Rijk, dit machtige Rijk, in 753 vóór Christus gesticht door Romulus, een duchtig
krijger en zoon van de god Mars, eindigde met een onmondig kind.
Clovis ( - 511)
|

|
|
Clovis was wel de meest beruchte vorst van die tijd.
Hij was zeer sluw en ongenadig, maar ook zeer begaafd en onovertroffen als
veldheer. Met goud en mooie beloftes wist hij de meeste Frankische vorsten voor
zich te winnen. Wie hem dwarszat, liet hij vermoorden. Zo groeide hij door
middel van moord, verraad en een reeks vernietigende veldtochten uit tot de
onbetwiste koning der Franken. Hij verzamelde een machtig leger en wist tussen
486 en 511 zijn macht te vestigen over het rijk van Syagrius, gelegen tussen de
Somme en de Loire in, het land van de Bourgondiërs, in het bekken van de Rhöne
en de Saöne en het rijk der Alamanen. Hij liet zich in 506 bekeren tot het
Christendom en vestigde zich te Parijs. Zijn naam was eigenlijk Chlodowech, wat
roemzuchtig gevecht betekent, in het Latijn vertaald door Hlodivicus, waarvan
later de naam Lodewijk, de naam van 18 Franse koningen, werd afgeleid. Clovis
stierf in 511 en werd opgevolgd door zijn zoon Chlotarius l die heel het
oostelijke gedeelte van Gallië aan het Frankische rijk toevoegde.
Na de dood van Clovis verloor Vlaanderen, het oude Francia of land
der Franken, zijn naam die op geheel Gallië overgaat. Gedurende de gehele
Merovingische periode zou Vlaanderen buiten de bemoeienissen van de Frankische
koningen blijven, maar wel ingeschakeld blijven in de administratieve indelingen
van het Frankische rijk, die pagi werden genoemd. Uit de documenten die
uit die tijd zijn overgeleverd blijkt dat ons land in negen pagi was ingedeeld,
waaronder de pagus Bracbatensis, wat zowat overeenkomt met het latere
hertogdom Brabant, de pagus Gandensis en de pagus Mansuarensis
(de huidige Kempen). Aan het hoofd van een pagus stond een grafio, waarvan later
het woord 'graaf' werd afgeleid.
|
Chlotarius I (511-561)
Chlotarius overleed in 561 en zijn rijk werd volgens het
Salische erfrecht verdeeld tussen zijn vier zonen.
DE VERDELING VAN HET FRANKISCHE RIJK: Parijs en het westen, Neustrië,
Austrasië en Bourgondië.
Charibert l erfde Parijs en
het westen van het rijk tot aan de Pyreneeën. Sigebert l kreeg Austrasië
( het
oostelijk gedeelte van het Merovingische rijk dat de Maas- en Rijnstreek
omvatte). Guntramnus, zijn derde zoon, kreeg Bourgondië en de streek rond Orléans
en Chilperik erfde Neustrië. Zo heette toen het westelijke gedeelte van het
Frankische Rijk. Het zou tot aan de troonsbestijging van Pepijn de Korte een
zelfstandig koninkrijk vormen dat in het noorden grensde aan de Schelde, in het
zuiden aan de Loire en in het oosten aan Austrasië. Na de dood van zijn broer
Charibert l in 558 verwierf Chilperik heel diens gebied en om dit naar het
zuiden toe te beveiligen huwde hij Galswithe, dochter van de Visigotische koning
Athanagild die over Spanje regeerde. Galswithe werd echter in 573 vermoord,
vermoedelijk vergiftigd door Fredegonde, slavin en minnares van Chilperik die
met haar in het huwelijk trad en haar aldus tot koningin van Neustrië
verhief.
De moord op Galswithe en het daarop volgende huwelijk gaven aanleiding tot
een ononderbroken burgeroorlog tussen Neustrië en Austrasië die veertig jaar zou
duren. Sigebert l, broer van Chilperik en koning van Austrasië was immers
getrouwd met Brunhilde, de zuster van de vermoorde Galswithe. Noch Sigebert,
noch Brunhilde konden het verkroppen dat een slavin als Fredegonde het door
moord op hun schoonzuster en zuster tot koningin had gebracht. Maar
Fredegonde was een gevaarlijk personage die voor niets terugdeinsde. Om zich van
die lastpost Sigebert te ontdoen liet ze hem in 575 in Vitry door twee van haar
handlangers met giftige messen vermoorden. Maar dat betekende niet het einde van
de oorlog, want nu werd ze een nog grotere rivale van Brunhilde, die door het
vergif van Fredegonde niet alleen haar zuster maar nu ook haar man had
verloren.
De positie van Brunhilde tegenover Fredegonde werd aanmerkelijk versterkt
doordat haar schoonbroer Guntramnus, koning van Bourgondië, met haar een verbond
sloot. Dit stelde haar in staat het weduwengoed van Fredegonde in te palmen.
Maar het baatte allemaal niet veel. In 613 werd ze door Chlotarius II, zoon van
Chilperik l en de ondertussen (rustig) overleden Fredegonde, gevangen genomen,
gruwelijk gemarteld en tenslotte door een wild paard aan stukken
gescheurd. Deze strijd tussen Brunhilde en Fredegonde vinden we min of meer
terug in de Siegfried-sage waar Brunhilde aan het einde van
haar strijd wordt gedood door Theodrich, koning van de Oost-Goten. Na de
dood van Brunhilde werd Chlotarius II koning van het gehele Frankische rijk. Hij
stierf in 629 en werd opgevolgd door zijn zoon Dagobert, die het rijk nog verder
uitbreidde door de aanhechting van Gascogne dat tot aan zijn dood in 632 aan
zijn broer Charibert II had behoord. Hierdoor strekte het Merovingische rijk
zich nu uit over heel het West-Europese gebied tussen de Rijn en de
Pyreneeën. Dagobert stierf in 639.
DE 'VADSIGE KONINGEN'
Na de dood van Dagobert in 639 begon een periode die gekenmerkt werd door een
opeenvolging van zwakke koningen die de geschiedenis zijn ingegaan als les
mis fainéants (de vadsige koningen). De laatste van deze
'vadsige koningen', Childerik III, werd in 751 door Pepijn de Korte afgezet.
Hij werd
opgesloten in de Sint-Bertijns abdij in Sint-Omaars waar hij in 754
overleed.
Op dit laatste na is er onder de Merovingen weinig belangrijks gebeurd in
onze streken. Dit verandert wanneer de Karolingers het Frankische koningschap
overnamen.
Het merovingisch grafveld van
Beerlegem
Het grafveld dient gedateerd rond het einde van de 6de - het begin der
7de eeuw. Het gaat hier om 255 graven, die werden ontdekt bij
uitzavelingswerken, en die nader onderzocht konden worden door de
Nationale Dienst voor Opgravingen en het Seminarie voor Archeologie van
de R.U.G. van 1955 tot 1967; het betreft een typisch rijengrafveld, waar
de overledenen bijgezet werden in houten kisten, al dan niet op
dwarsbalken.
Het nederzettingsonderzoek staat in onze regio nog
steeds in zijn kinderschoenen. De eerste sporen van merovingische
occupatie werden pas in 1975 aangesneden. Vroeg-middeleeuwse bewoning
wordt aangetoond door prospectie-vondsten o.a. te Nederzwalm.
|
|
Eerste kolonisatiefase (late 5de-
midden 6de eeuw)
Kolonisten trekken in een groot sociaal verband
(clan of 'lineage') onze streek binnen en vestigen zich individueel maar
niet ver van mekaar. De nederzettingen bestaan uit slechts enkele
gezinnen met zekere sociale egaliteit en zijn kleinschalig.
De periode van de volksverhuizingen kenmerkt zich
door een sterke terugval van de handelsactiviteiten; ten eerste waren de
germaanse invallers van de 5de eeuw immers, in tegenstelling tot de
Gallo-Romeinse bewoners, niet vertrouwd met de geldeconomie; ten tweede
vielen koper en zilver weg als muntmetalen en tenslotte was er door de
ineenstorting van het Romeinse gezag het in verval geraken van het
weggennet.
Het hoofdaccent ligt dus op de landbouw, die in
de beginperiode een vrij onstabiel karakter vertoont: privé-eigendom
ontbreekt en de nadruk ligt op kleine veeteelt in bedrijfjes midden in
de bossen.
De kerstening van de Scheldevallei
De
kerstening van het Beneden-Scheldegebied voltrekt zich pas in de loop
van de Merovingische tijd. Rond 500 wordt te Doornik een episcopaat
opgericht, waar St.Eleutherius komt te zetelen als eerste bisschop. De
kerstening van de gebieden ten noorden, nl. van het Gentse (in 639) en
van Chanelaus in Antwerpen (649-'50) volgen slechts ruim 100 jaar later
en zijn het werk van een zuid-Franse zendeling, de H.Amandus. Hij
bekeerde waarschijnlijk ook de gemeenschap van de nederzetting Hultheim
(= Kruishout-em).
Over dat vroege christendom in onze gewesten weten
wij niet veel. In onze regio missioneert vooral de H.Amandus, met de
steun van koning Dagobert en desnoods tegen de zin van onze voorouders,
die hun oude zeden en riten maar node los laten. Rond 650 sticht hij
nabij de samenvloeiing van Schelde en Leie twee primitieve
kloostergemeenschappen. Hieruit ontwikkelen zich de invloedrijke Gentse
abdijen van St.-Baafs en van St.-Pieters, de machtigste in Vlaanderen en
van de belangrijkste in heel West-Europa.
Naast de verering van de H.Amandus is ook die van de H.Martinus van
Tours, een Romeins legerofficier, zeer typisch in onze streken.
Primitieve bedehuizen -de voorlopers van onze huidige parochiekerken
-worden hen toegewijd. De machtige lokale grootgrondbezitters, optredend
vanuit hun domeinen of villa's, steunen doelbewust deze jonge abdijen
(al zullen zij er ook vaak gloeiende ruzie mee maken !), en deze laatste
verwerven ook steeds meer gronden links en rechts. Hieruit putten zij
rijkdom, invloed en macht! Van deze boeiende maar slecht gekende
kloostergeschiedenis hebben wij een voorbeeld ter plekke. Ten tijde van
Karel de Grote vestigen zich monniken in Dikkelvenne. Zij nemen
de regel van de H.Benedictus aan. Wij kennen de eerste abt: een zekere
Hilduardus. Deze weet de lokale heer Magrippus te bekeren en tot hulp
bij de kerkbouw te bewegen. Intussen is ook een Engelse prinses,
Christiana, met enkele gezellinnen zich op dezelfde plek komen vestigen.
Hun levenswandel wekt bewondering en hen worden wondere daden
toegeschreven. Hun graf wordt druk bezocht, zij worden als heilige
voorsprekers vereerd en ter hulp geroepen bij alle mogelijke miseries
van mens en dier.
de 7de eeuw
Het beeld van de bewoningscultuur wijzigt
grondig, wellicht o.i.v. de Austrasische adel vanaf 600: er ontstaan
grote landbouwbedrijven (villae), samengesteld uit een hof
(curticula) -
het eigenlijke centrum van het domein - en een aantal casatae. De
eigenaar of diens plaatsvervanger (de villicus), vaak een vroeger
clanhoofd, resideert in de curticula; in de casatae leven families van
eenvoudige boeren met een half-vrije of vrije status. Deze sociale
stratigrafie vindt men bijvb. terug in de structuur van de Beerlegemse
begraafplaats: de groep uiterst arme bijzettingen in het westen bevatten
de resten van de horigen en slaven die op het domein bedrijvig waren.
Economisch vigeert een zeker gesloten systeem,
inherent aan de
domaniale autarchie . Een groot deel van de ambachtelijke
producten wordt geleverd door de half-vrije boeren; lokaal ligt de
nadruk op het verwerken van deze goederen van agrarische oorsprong (het
weven van linnen en fijne wollen stoffen, de leder- en huidenbewerking
en de verwerking van hoorn en been tot o.a. kammen en spelden. Door meer
te produceren dan nodig voor eigen gebruik kon geruild worden tegen
importgoederen uit o.a. Frankrijk, de Rijnstreek en het mediterraan
gebied.
In zuid-Oost-Vlaanderen werden in deze periode
geen munten geslagen.
De Merovingische vorsten voerden in de eerste helft van de 8ste eeuw een
bestuurlijke reorganisatie door. De regressie van de zee en de daarmee
gepaard gaande ingebruikneming van nieuwe stukken land leidde tot de
oprichting van nieuwe PAGI (pagus = gouw), w.o. de Pagus Gandensis en de Pagus
Wasia. Binnen de Pagus Bracbatensis (= Brabantse gouw), het vroegere Bracobanti, vond een herschikking plaats. Het graafschap Biest*
kwam in de plaats van het gebied tussen Schelde en Dender, het vroegere
gewest Velzeke dus. Er kwamen ook nieuwe graafschappen: Halle, Condacum...
*Met betrekking tot de naam BIEST
bleven slechts twee bronvermeldingen bewaard, uit het einde van de 10de
en begin der 11de eeuw (een moment dus dat het graafschap al had
opgehouden te bestaan). Het Liber Traditionum Sancti Petri Blandiniensis
notuleert op 21 augustus 972 de schenking van een allodium te Herzele in
BIESUTH ("37 ") en in het jaar 1011 omvat een gift van graaf Arnoul aan
de abdij van Nijvel twee mansi op het Balegemse gehucht Walsegem in
BISIT ("38").
Het graafschap Biest bleef in de loop der eeuwen in
een mysterieuze nevel gehuld en in verband met een mogelijke
identificatie schoven wetenschappers (Vander Kindere, 1902; Bonenfant,
1935; Ulrich Nonn, 1983) een aantal hypotheses naar voor.
In haar originele betekenis verwijst 'BIEST' naar een
met biezen begroeide natte weide. In dit vruchtbare graafschap, dat geen
deel uitmaakte van het door water overstroomde gebied van de Duinkerke
II-transgressie, kwamen slechts sporadisch biezen voor. Bijgevolg kon de
naam niet slaan op het algemeen uitzicht van de streek, maar wel op de
omgeving van een laag gelegen nederzetting in de nabijheid van een
rivier. De bouw van een reeks militaire
De hypothese Oombergen
Een aantal historici o.w.
prof. Koch en recenter Manu Cherreté ( Koch A.C.F., 'Het graafschap Vlaanderen
van de 9de eeuw tot 1070; Cherreté M., 'Institutionele evolutie van het
land van Aalst', p.256) nemen aan dat de graven van Biest hun
gebied vanuit de burcht van Oombergen bestuurden. Te Oombergen bevond
zich immers een militaire vesting op de plaats waar in de 17de
eeuw nog een majestueuze waterburcht stond.
Het domein Ruddershove
Het domein Wormen
Rond 800 behoorde het Velzeeks domein Wormen,
waarschijnlijk tengevolge van een koninklijke schenking, tot de
bezittingen van de machtige Gentse St.Baafsabdij. Karel de Kale
en de Duitse keizer Otto II bevestigden dit resp. in 864 en 976. Maar
een halve eeuw later bekloeg abt Othelbold er zich over dat Oda, de
kleindochter van markgraaf Godfried I de Gevangene ( ), Wormen in haar
bezit hield. Prof. Verhulst leidt hieruit af dat het gebied na 976 ofwel
door usurpatie of door een gedwongen transactie was ingelijfd door de
heren van Velzeke en verenigd was met het domein Velzeke
(Verhulst A, 'De Sint-Baafsabdij te Gent', pp. 426-435).
In welke omstandigheden dit geschiedde blijft onduidelijk. Zette de
koning de abdij onder druk om het gebied af te staan aan het
invloedrijke geslacht van Ardennen? Of gebeurde dit in ruil voor een
ander gebied? Of, derde mogelijke verklaring, maakten de heren van
Velzeke handig gebruik van de ontreddering bij en na de invallen van de
Noormannen om het domein Wormen te naasten?

Was Velzeke de hoofdplaats van het graafschap Biest? |
| De
Merovingische periode eindigt met Pippijn de Korte en zijn opvolgers.
Zij streven naar een centraal gezag over het Frankische rijk.
DE KAROLINGERS
De Karolingers waren een geslacht van
grootgrondbezitters wier naam is afgeleid van Karel de Grote. Zoals eerder
verteld kwamen ze aan de macht in 751 met Pepijn de Korte als eerste
Karolingische vorst. Deze liet zich kronen te Soissons, en zag zijn kroning
bevestigd tijdens zijn zalving door de pauselijke gezant, de aartsbisschop
Bonifatius. Pepijn was nu koning bij Gods genade en niemand kon nog zijn titel
van koning betwisten.
De Karolingische familie was oorspronkelijk afkomstig uit Austrasië maar
bezat een groot aantal domeinen in de streek van Tongeren, in de Maasvallei en
in de Ardennen. Zij waren zowat de rijkste grootgrondbezitters van de streek
rond Maastricht en dus ook de enige meesters in dat gebied. Dit zou de
geschiedenis van Vlaanderen sterk beïnvloeden. Toen Pepijn de Korte (Pepijn III)
in 768 overleed, werd hij opgevolgd door zijn oudste zoon Karel de
Grote (foto li) , Lat. Carolus Magnus, niet alleen omdat
hij groot was van
gestalte maar omwille van zijn daden. Hij veroverde in 774 het rijk der Longobarden in Noord-ltalië, vestigde een protectoraat over de pauselijke staat,
nam in 778 bezit van het hertogdom Beieren en voegde na een bloedige zevenjarige
oorlog in 785 Friesland en het land van de Saksen toe aan zijn rijk. Hierdoor
verschoof hij de grenzen van het Frankische rijk tot aan de Elbe.
Vanaf 808 verbleef hij bijna uitsluitend in Aken, waardoor
deze stad het grote aantrekkingspunt werd voor al wie met de koning of het rijk
iets te maken had. Men kwam langs de oude Romeinse heirbaan Bavay-Keulen, langs
de Moezel en de Maas wat ertoe leidde dat Maastricht één van de belangrijkste
handelssteden werd van het Frankische rijk. Hierdoor schonk Karel de Grote aan
Vlaanderen een schitterende maar ook een gevaarlijke centrale positie in
West-Europa. Het zou die positie van dan af nooit meer zal verliezen. Heel het
middelpunt van de middeleeuwse beschaving, een soort vlechtwerk van Romaanse en
Germaanse culturen, werd hier gevormd. Alles wat er in Europa gebeurde, of het
van godsdienstige, sociale of economische aard was, had zijn effect op
Vlaanderen. Het zou in de toekomst het slagveld worden van Europa, maar ook een
centrum van commerciële bedrijvigheid en grote bloei van het kunst- en
letterkundig leven. Deze periode zou de geschiedenis ingaan als de
'Karolingische Renaissance'.
Karel de Grote overleed in 814 en werd opgevolgd door Lodewijk de Vrome, de
enige van Karels vier zonen die hem had overleefd en zo het gehele Frankische
imperium erfde. In tegenstelling tot zijn illustere vader bleek Lodewijk een
zwakkeling, die door zijn eigen zonen zou afgezet en naar een klooster verbannen
worden...
De Noormannen
Nauwelijks was
Lodewijk aan de macht of er kwam een groot gevaar opduiken,
deze keer vanuit het noorden. De Vikings of Noormannen, woest
en onverschrokken, gedreven door de grote getalsterkte van hun bevolking in een
land waar te weinig voedsel te vinden was om iedereen te voeden, kwamen vanuit
Denemarken, Noorwegen en Zweden met hun kromgerugde drakars de kusten van
Friesland, Zeeland, Vlaanderen en Frankrijk overvallen.
De Vikingen of Noormannen trokken vanaf het einde der
9de eeuw en in de 10de eeuw een spoor van vernieling doorheen de Lage
Landen. Vanuit hun kamp in de Gentse St.Baafsabdij plunderden zij in
zuid-Oost-Vlaanderen het domein der abdij van Zegelsem en de abdij van
Dikkelvenne (Van Durme L., 'De St.Pietersabdij te
Dikkelvenne', pp.73-77 en Verhulst A. & Declercq G., 'Het
vroeg-middeleeuwse Gent tussen abdijen en grafelijke versterking', p.53).
Zoals de meeste abdijen in Vlaanderen valt ook de
St.-Pietersabdij in Dikkelvenne ten prooi aan de roofzieke Noormannen.
Het kostbaarste bezit, de relikwieën, trachten de vluchtende
monniken in veiligheid te stellen. Zo belanden de relikwieën van de
HH. Hilduardus en Christiana in het beter beveiligde Dendermonde. Na de
aftocht van de Noormannen en de terugkeer der monniken blijkt
herbeginnen in Dikkelvenne verre van gemakkelijk en tenslotte zal de
Benedictijnenabdij, op initiatief van de graaf, in 1081 'verhuizen' naar
de grensplaats Geraardsbergen. Aldaar herboren als St.-Adrianusabdij,
zal zij een nieuwe eeuwenlange bloei tegemoet gaan !
In 820 kwam de eerste aanval op de Vlaamse kust,
met 13 drakars en 650 vikings, een aanval die echter werd
afgeslagen door de Karolingische graven. Maar in 834 kwamen ze terug. Ze drongen
langs de Rijnmonding Nederland binnen en verwoesten de handelsnederzetting Dorestad (het huidige Wijk bij Duurstede, aan de Lek). Een tweede groep voer de
Schelde op en overviel Antwerpen dat werd leeggeplunderd. Tussen 840 en 860
kwamen steeds meer woeste benden Noormannen, meer bepaald de mannen van Rorik, onze contreien teisteren. In 842
overvielen ze opnieuw Dorestad dat totaal werd vernield en voor altijd verdween.
In 850 lieten ze Terwaan in de vlammen opgaan, in 851 werd Gent in brand
gestoken en in 852 werd de gehele Scheldevallei geplunderd.
Overal waar ze verschenen vluchtte de bevolking, want de Vikings ontzagen
niets, ze moordden, stichtten brand, verkrachtten, plunderden en roofden alles
wat maar te grijpen viel waaronder onvermijdelijk de jonge vrouwen die niet
tijdig konden vluchten. Enkel in de vestingen vond de bevolking enige
bescherming, want de Noormannen waren niet bepaald bedreven in het voeren van
een beleg. Daarom begon men overal rond kloosters en de belangrijkste
herenwoningen versterkte, stenen omheiningen aan te leggen waarbinnen de
omwonende bevolking kon schuilen en die later zouden leiden tot het ontstaan van
de versterkte steden.
De vier tochten
vanuit het winterkamp te Gent 879-880
Het Gentse
Vikingenkamp bevond zich precies op de plaats waar bepaalde vertakkingen
van de Schelde en de Leie elkaar het dichtst naderden, alvorens zich
definitief te vinden aan de Nieuwburgkaai, d.w.z. een paar honderd meter
voorbij de kampstructuur. De naam Gentbrugge verwijst naar deze
gebeurtenis. Er wordt ook een Wy-tempel binnen het kamp opgericht.
De eerste tocht vanuit Gent vertrok al in
december 879 en duurde tot in januari 880. De Scheldevallei werd daarbij
systematisch geplunderd. Te Gavere zijn nog altijd de sporen te vinden
van een grote verschansing, door de Noormannen tegen de helling van de Gaverse site aangelegd. Het grote, lange marktplein van Gavere vormt een
prachtig centraal plein, van waaruit de abdij van Dikkelvenne werd
geplunderd, waarna ze in brand werd gestoken (dit gaf later aanleiding
tot het ontstaan van de mooi opgesmukte legende i.v.m. een bezoek vanuit
Engeland(!) van de heilige Christina). Te Dikkelvenne zijn er in elk
geval in de buurt van de Elvenstraat sporen waarneembaar van een
Vikingen-verschansing, een aftekening waarvan
de gemeentegrens met Meilegem een grens vormt.
Tijdens die eerste tocht wordt o.a. ook Doornik
geplunderd.
De voornaamste en ook verste 'prestatie' van de
Noormannen op hun tweede tocht vanuit het Gentse winterkamp was
de plundering van de omgeving van Reims. De heen- en terugreis naar
Reims is bijzonder gemakkelijk te schetsen: komende vanuit de Gentse
vesting neemt het Vikingenleger op het grondgebied van Ledeberg een
binnenweg, die ze op de Hundelgemsesteenweg brengt en zo tot in
Beerlegem, waardoor zij rechtdoor stappend ten zuidwesten van Brakel op
de weg komen die ze naar Bavai leidt, van waaruit zij maar de weg naar
Reims hoeven te volgen. Tijdens hun terugtocht in februari 880 wordt het
Noormannenleger aangevallen door een Oostfrankische troepenmacht, onder
de leiding van koning Lodewijk de Jonge. In deze veldslag in 'Tutonium'
(waarschijnlijk de hedendaagse plaats Wadeincourt nabij Thumaide)
sneuvelen meer dan 5000 Vikingen - de overlevenden vluchten terug naar
Gent.
De derde tocht vanuit Gent wordt uitgevoerd in juli 880
door Vikingen die naar het kamp van Doornik worden gestuurd om samen met
de aldaar al gelegerde manschappen de abt van de abdij van
St-Germain-des-Prés, Gosselin, en zijn leger op te vangen.
De vierde en laatste tocht betreft de verplaatsing van
het winterkamp naar het gebied van Kortrijk in november 880. De stad
Deinze wordt te dezer gelegenheid voor het eerst vermeld. Daarover
schrijft Sanderus: "Ook is het zeker dat de Wandalen, en de overige hoop
der Barbaarsche Hunnen in het jaar 500 na Christi geboorte, de Stadt
Gendt ingenoomen, en op verscheide Plaatsen, doch voornamelijk langs de
Leye, Kasteelen opgerecht hebben; en dus is het zeer waarschijnlijk, zeg
ik, dat Deinze haaren Oorsprong aan een van hunnen Veldheeren
verschuldigt is. Het is mede buiten alle Tegenspraak, en alle de
Geschiedschrijvers komen overeen, dat deze Stadt kort na de Neerlaag der
Noormannen, welke in 880 voorgevallen is, bekent is geweest, en eene
Hoofdkerk gehad heeft..." - het spreekt vanzelf, dat men de door
Sanderus eerstvermelde datum met een korreltje zout moet nemen.
Het kamp in Kortrijk zou als (uitvals)basis dienen voor
tochten, die reikten tot Bauvais, Atrecht (Arras), Amiens, Corbie,
Kamerijk (Cambrai) en Saucourt-en-Vimeu.
In Kortrijk zelf voeren de Noormannen vestingwerken
uit, die 421 jaar later aan de Vlamingen de mogelijkheid zouden bieden
om een ideale positie in te nemen op een hiostorisch geworden slagveld:
de Groeningegracht en wal op de Groeningekouter.
Eind augustus arriveren de Vikings terug in Gent, wordt aan hun schepen
gewerkt (om ze klaar te maken voor het transport van paarden) en varen
ze de Schelde af tot in Antwerpen en Maastricht, waar ze een gedeelte
van hun landleger vervoegen, dat over land tot daar was getrokken. Langs
de Maas richten zij in november 881 een nieuw winterkamp op, waarvan de
exacte ligging lange tijd een bron van geredetwist is geweest. Dat
winterkamp moet gelegen hebben op het huidige grondgebied van
Maasmechelen.
Vanuit Hasloa ondernemen de Vikingen een 8-tal tochten,
waarbij zij o.a. tot in Duitsland (Oost-Francië) doordringen.
Ondertussen worden zij in hun eigen winterkamp in 882 bedreigd door een
gemengde troepenmacht, op de been gebracht door Karel de Dikke; een
geweldig onweder, dat op 21 juni 882 de ganse Maasstreek teistert en
paniek veroorzaakt bij beide legers en het Vikingkamp wordt weggespoeld
- dit natuurgeweld stemt beide tegenstanders tot vredelievender
gedachten, er wordt onderhandeld en de Vikingenkoning Godfried krijgt
een leen aangeboden (ergens in Holland of Friesland) - weliswaar op
voorwaarde dat hij zich laat dopen én een Kristenvrouw huwt -
waarschijnlijk is dat hem ook een flinke afkoopsom wordt aangeboden. Hoe
dan ook, Godfried vertrekt met zijn mannen naar Friesland. De achtste en
laatste tocht vanuit Hasloa brengt de Vikingen opnieuw in ons
Scheldebekken. Ze belanden in Gent om vervolgens langs Gavere en Doornik
naar Condé-sur-l' Escaut te trekken en er onder leiding van hun koning
Siegfried een nieuw winterkamp op te richten.
Na in 883 een Frankisch leger o.l.v koning Karolman te
hebben verslagen trekken de Vikingen naar Amiens om er een nieuw
winterkamp te bouwen, een wapenstilstand af te dwingen (waarbij ze een
enorme afkoopsom ontvangen) en over zee en land naar Boulogne trekken.
Het Grote Leger splitst zich daar in twee groepen. Het landleger richt
op een plaats langs de Dijle een nieuw winterkamp op, die nadien steeds
Lovon, Leuven of Louvain wordt genoemd. Van daaruit ondernemen de
Vikingen weerom verschillende tochten. Te Leuven worden zij in 885
echter belegerd door een Frankenleger en trekken er gedwongen weg
richting Rouen en Pont-de-l'Arche. Daar treffen zij hun vloot en de
legergroep die in 884 naar Engeland was getrokken - en daar o.a.
Rochester had veroverd. Het aldus versterkte Vikingenleger (40.000 man
sterk!) is klaar voor de verovering van Parijs en zijn verdere tochten
naar het zuiden.
Het tweede winterkamp
te Leuven 891-892
De
terugkeer van de Vikingen naar het vasteland (896)
In 896 keren de Vikingen vanuit Engeland naar het
Europese vasteland terug met aan het hoofd koning Rollo (die de latere
eerste koning van Normandië zou worden). Rollo krijgt als bijnaam 'de
wandelaar' omdat hij in de daaropvolgende tien jaren met zijn mannen
werkelijk kriskras door Europa trekt. Meer dan waarschijnlijk bezette
hij tussen 896 en 911 aldus opnieuw grote delen van Vlaanderen. In 911 'schenkt'de
Franse koning Karel III, in het kader van zijn politiek van bufferzones,
aan Rollo een brede kuststrook, gelegen tussen het schiereiland
van Cotentin en de rivier de Bresle: het hertogdo Normandië was geboren!
Besluit
Na de vlucht van talrijke grootgrondbezitters vulden de
domeinambtenaren het machtsvacuüm, dat deze nalieten. Zij usurpeerden (=
zich onrechtmatig toeëigenen) het gezag, namen
het gebied in bezit en onderwierpen de boeren aan hun diensten en
lasten. De meeste landbouwontginningen, de zgn. 'mansionilies', vanouds eigen
aan de Frankische bewoning, vielen na de Vikingaanvallen in de handen
van diegenen, die zich 'heren' noemden. Deze heren, bijvoorbeeld de
graven van Vlaanderen, speelden deze gronden later toe aan de kerk. Kerk
en adel kwamen dus verrijkt uit de restauratie, die volgde op de
invallen van de Noormannen. Pas na het vertrek van de Noormannen keerden de meeste
domeinen naar hun rechtmatige eigenaar terug. Aldus kwam als gevolg van
de voornoemde bedelbrief van abt Othelbold het gebied Zwalm opnieuw
onder het gezag van de St.Baafsabdij maar Wormen bleef in handen van
de heren van Velzeke.
Toch hield het ná 976 eengemaakte domein Velzeke-Wormen slechts enkele decennia stand. De kapers op de kust waren
de heren van Gavere, die vanuit hun imposante waterburcht de controle
voerden over de Schelde. De RASEN van Gavere - tien tegen één uit dit
geslacht hadden de voornaam Raas - slaagden er vanaf de 11de eeuw in
macht en invloed aanzienlijk te versterken.
|
DE 'KAROLINGISCHE BROEDERSTRIJD'
Ondertussen was in 840 Lodewijk de Vrome overleden en liet hij
zijn rijk na aan zijn oudste zoon Lotharius, op voorwaarde dat deze een gedeelte
van het grondgebied aan zijn beide broeders zou afstaan. Maar Lotharius
weigerde, waardoor zijn twee broers, Lodewijk, later bijgenaamd de Duitser, en
Karel II, bijgenaamd de Kale, tegen hem een verbond sloten wat aanleiding gaf
tot wat men later de 'Karolingische broederstrijd' zou noemen.
HET VERDRAG VAN VERDUN (843)
Deze strijd werd afgesloten in 843 met het bekende Verdrag van
Verdun (afbeelding) waarbij het machtige rijk van Karel de Grote onder
de drie broeders werd verdeeld. Lodewijk de Duitser kreeg het oostelijke deel,
Karel de Kale het westelijke deel en Lotharius erfde de keizerstitel en het
middelste rijk, Lotharingen, dat naar hem werd genoemd. Dit laatst vernoemde
rijk verzwakt snel en kent maar een
kort bestaan - in 870 houdt het op te bestaan door het verdrag van Meerssen, en
wordt in 925 ingelijfd door Oost-Francia, dat daardoor dus ook een groot
deel van wat later ons land wordt omvat.
Vlaanderen* lag in het noordelijke gedeelte van dit nieuwe rijk. Het
is hier dat het Graafschap Vlaanderen zijn ontstaan zou vinden.
In onze 'uithoek' van dit Oost-Frankische
rijk huwt Boudewijn met de Ijzeren Arm (+ 879), een ambtenaar van de Franse
koning en tevens diens leenheer in een Vlaamse gouw, met de konings dochter,
Judith. Het is de zoon van deze Boudewijn, Boudewijn II de Kale
(879-918) die de eerste graaf van
Vlaanderen zou worden...
* De naam 'Vlaanderen' is afgeleid van 'pagus
Flandrensis', een Karolingische gouw in de omgeving van Brugge.
|
 |
DE GRAAF
De graaf trad op als rechter, riep de vrije mannen onder de wapens voor de
krijgsmacht van de koning en inde de belastingen. Zijn voornaamste rol bestond
erin de vrede en de veiligheid van de pagus te vrijwaren. De bevolking was
samengesteld uit drie sociale standen: de vrije mannen, de aristocratie of
grootgrondbezitters, die een groot aantal slaven (laeten) in hun dienst hadden.
In het toen vrij dun bevolkte Vlaanderen was het aan de machtigste der stammen
niet zo moeilijk om met enige durf en onverschrokkenheid grote hoeveelheden
grond in bezit te nemen, cijnsmannen (belastingontvangers) aan te stellen, deze
op hun grond een woonplaats te geven en de slaven of laten hun land te laten
bewerken. Van kleine vrije grondbezitters was er weinig sprake. Voortdurend
geteisterd door roversbenden, waren ze dikwijls verplicht de bescherming te
vragen van de graaf in ruil voor hun grond. Zo werden de graven steeds rijker en
machtiger en werden de vrije boeren meer en meer van hen afhankelijk.
|