|
|||
INLEIDING Wanneer het Romeinse Rijk over zijn hoogtepunt heen is, dringen hier de Germaanse Franken binnen. Uit de geleidelijke versmelting van hun leefgewoonten met die van de Gallo-Romeinen en die van het moeizaam veld winnend christendom ontstaan de 'middeleeuwen'. De Merovingische vorst Clovis 'bekeert zich' en regeert aanvankelijk vanuit Doornik. Nadat de Germaanse aanwezigheid in het Romeinse imperium geleidelijk groeide vanaf de 2de-3de eeuw na Xus, hetzij als zgn. 'foederati' (= bondgenoten, die onder eigen leiders de grenzen verdedigden), hetzij als 'laeti' (gevangen Germanen die als landbouwers-krijgers in ontvolkte gebieden werden geplaatst), werd door de immigraties van de late 4de eeuw de basis gelegd voor de germanisering van Vlaanderen, gebeurde de grote en finale doorbraak van de romeinse rijksgrenzen op oudejaarsavond van 406 na Chr. Onze streek ontsnapte aan deze verwoestende invasiegolf dankzij de weerstand van de hoger vermelde Frankische foederati. Deze profiteerden wel van het verdwijnen van het romeinse bestuur om hun gebied naar het zuiden uit te breiden en hun eigen koninkrijken te stichten. In 476 werd de laatste keizer van Rome afgezet door Odoaker, hoofd van de Germaanse hulptroepen. De naam van die keizer was Romulus Augustulus, een spotnaam, want Augustulus betekent Klein Augustje. Dat was hij ook, een kind dat in 475 op de troon werd gezet en nauwelijks een jaar later op pensioen werd gestuurd. De ironie van de geschiedenis: Het Romeinse Rijk, dit machtige Rijk, in 753 vóór Christus gesticht door Romulus, een duchtig krijger en zoon van de god Mars, eindigde met een onmondig kind. Het betekende het einde van het Romeinse rijk én het einde van de Oudheid. Een nieuwe periode deed zijn intrede in de geschiedenis: de Middeleeuwen xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx Wie waren die Franken? Wie waren die 'barbaren' die door de Romeinen maar niet klein gekregen konden worden en die diezelfde Romeinen ten slotte uit onze contreien zouden verdrijven? De naam 'Franken' is in feite een verzamelnaam voor verscheidene groepen volksstammen waarvan de twee voornaamste de Salische Franken of Salïërs en de Ripuariërs zijn. Het waren de Salische Franken die zich het eerst in onze gewesten vestigden; eerst in de Kempen, langs de Grote en Kleine Nete en later in Noord-Brabant, in de streek van Reusel en Eersel. Die kolonisatie zou zich later uitbreiden en uitlopen op de totale verovering van geheel Gallië. De Franken, opkomend vanuit het oosten, slaagden er in het jaar 356 in de Rijn over te steken en het gebied van Tongeren binnen te dringen en te bezetten. Die bezetting was echter van korte duur, want reeds kort daarop, in 358, werd het grootste gedeelte van de Frankische invallers door de Romeinen op de vlucht gedreven. De Romeinen waren onder het bevelhebberschap van keizer Flavius Julianus, bijgenaamd de Apostaat (de afvallige). Ondanks zijn overwinning had Julianus deze Franken niet over de Rijn kunnen terugdrijven. Zoals altijd wanneer de Romeinen met een of andere invaller een overeenkomst moesten sluiten, verkregen de Franken de titel van foederati (bondgenoten). Deze titel liet aan de achtergebleven Franken toe het veroverde gebied te behouden, op voorwaarde het in naam van het keizerrijk tegen om het even wie te verdedigen. Zo bevond de eerste nederzetting van de Franken in onze gewesten zich in de zandige en barre streken van Taxandrië (zowat het huidige Vlaams en Nederlands sprekende Brabant). Van dan af begon de zogenaamde Frankische kolonisatie, een kolonisatie die aan de bakermat lag van ons volk en onze taal. De start daartoe werd gegeven in 406 wanneer de Alanen, de Vandalen en de
Oostgoten, voort gezweept door de Hunnen die vanuit Azië naar Centraal Europa
oprukten, massaal de Rijn overstaken en als een vloedgolf van woeste hordes zich
over Gallië verspreidden. Zo maakten zij plaats voor een tweede kolonisatiegolf van Saliërs en Ripuariërs, die op hun beurt de Rijn overstaken en de streek tussen het huidige Maastricht en Tongeren bezetten. Van daar uit zijn ze verder getrokken naar het westen en hebben ze de streek rond Antwerpen en het gehele Leie-gebied gekoloniseerd, maar tot aan de Vlaamse kust zijn ze nooit doorgedrongen. Hun opmars in die richting werd gestuit door het zogenaamde Kolenwoud dat zich uitstrekte tussen Sint-Niklaas in het noorden en de Samber in het zuiden. Bovendien was heel het Vlaamse kustgebied tegen het einde van de 4de eeuw volledig onder water gelopen. De schaarse bevolking die er nog leefde, nakomelingen van de Morinen en de Atrebaten, hadden naar het binnenland de wijk genomen. Alleen het Vlaamse Woud, dat zich in zuidwestelijke richting uitstrekte langs de rechteroever van de IJzer, bleef van de overstroming gespaard. In de 7de eeuw had de zee zich echter teruggetrokken en waren het de Friezen die, samen met de Saksen, bezit hebben genomen van maritiem Vlaanderen. Overigens moeten we ook vertellen dat overal waar in onze contreien de Frankische kolonisatie met de Oudfrankische taal is doorgedrongen, de Vlaamse bevolking is ontstaan, wiens taal later zou uitgroeien tot het middeleeuwse Vlaams. De Salische Franken die vanuit Taxandrië naar het zuiden waren getrokken, hadden ondertussen omstreeks 431 Doornik bereikt. Deze stad was toen nog steeds in het bezit van de Romeinen, zodat hier opnieuw slag moest worden geleverd om verder te kunnen trekken. Chlodio, de eerste Frankenkoning Wanneer Chlodio rond 430-440 vanuit zijn zetel Dispargum in
Toxandrië de zuidwaartse expansie van de Salische Franken inzet,
verplaatst het machtscentrum zich definitief naar noord-Gallië. De
meeste Franken zijn bij deze veroveringstocht hun leider gevolgd; zij
keerden hun woongebieden in de Kempen en noord-Brabant definitief de rug
toe - het bewoningsvacuüm dat hierdoor ontstond, zou pas opnieuw
opgevuld geraken rond het midden van de 6de eeuw. xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx In 476 was ondertussen de laatste keizer van Rome, Romulus Augustulus - een spotnaam, want Augustulus betekent Klein Augustje (1) - afgezet door Odoaker, hoofd van de Germaanse hulptroepen. Het betekende het einde van het Romeinse rijk én het einde van de Oudheid. Een nieuwe periode deed zijn intrede in de geschiedenis: de Middeleeuwen die begonnen met wat we de vroege Middeleeuwen of ook soms wel de donkere Middeleeuwen noemen. Donker, want met de val van het Romeinse Rijk viel ook de Romeinse beschaving. De geschreven taal kween weg, de Romeinse cultuur en bestuursvormen raakten verloren. De gesofistikeerde Romeinse rechtspraak maakte plaats voor een rechtspraak waar de rechter niet naar bewijzen vroeg, maar die werd beslecht door gruwelijke tweegevechten die op leven en dood werden uitgevochten in de naam van God. De overwinnaar had altijd gelijk, zo had God beslist. De overgang van de Oudheid naar de Middeleeuwen was brutaal, gewelddadig, wreed en meedogenloos. Maar... welke periode in de geschiedenis was dat niet? (1) Dat was hij ook, een kind dat in 475 op de troon werd gezet en nauwelijks een jaar later op pensioen werd gestuurd. De ironie van de geschiedenis: Het Romeinse Rijk, dit machtige Rijk, in 753 vóór Christus gesticht door Romulus, een duchtig krijger en zoon van de god Mars, eindigde met een onmondig kind. Clovis ( - 511)
Chlotarius I (511-561) Chlotarius overleed in 561 en zijn rijk werd volgens het Salische erfrecht verdeeld tussen zijn vier zonen. DE VERDELING VAN HET FRANKISCHE RIJK: Parijs en het westen, Neustrië, Austrasië en Bourgondië. Charibert l erfde Parijs en
het westen van het rijk tot aan de Pyreneeën. Sigebert l kreeg Austrasië
( het
oostelijk gedeelte van het Merovingische rijk dat de Maas- en Rijnstreek
omvatte). Guntramnus, zijn derde zoon, kreeg Bourgondië en de streek rond Orléans
en Chilperik erfde Neustrië. Zo heette toen het westelijke gedeelte van het
Frankische Rijk. Het zou tot aan de troonsbestijging van Pepijn de Korte een
zelfstandig koninkrijk vormen dat in het noorden grensde aan de Schelde, in het
zuiden aan de Loire en in het oosten aan Austrasië. De moord op Galswithe en het daarop volgende huwelijk gaven aanleiding tot
een ononderbroken burgeroorlog tussen Neustrië en Austrasië die veertig jaar zou
duren. Sigebert l, broer van Chilperik en koning van Austrasië was immers
getrouwd met Brunhilde, de zuster van de vermoorde Galswithe. Noch Sigebert,
noch Brunhilde konden het verkroppen dat een slavin als Fredegonde het door
moord op hun schoonzuster en zuster tot koningin had gebracht. De positie van Brunhilde tegenover Fredegonde werd aanmerkelijk versterkt
doordat haar schoonbroer Guntramnus, koning van Bourgondië, met haar een verbond
sloot. Dit stelde haar in staat het weduwengoed van Fredegonde in te palmen.
Maar het baatte allemaal niet veel. In 613 werd ze door Chlotarius II, zoon van
Chilperik l en de ondertussen (rustig) overleden Fredegonde, gevangen genomen,
gruwelijk gemarteld en tenslotte door een wild paard aan stukken
gescheurd. DE 'VADSIGE KONINGEN' Na de dood van Dagobert in 639 begon een periode die gekenmerkt werd door een
opeenvolging van zwakke koningen die de geschiedenis zijn ingegaan als les
mis fainéants (de vadsige koningen). De laatste van deze
'vadsige koningen', Childerik III, werd in 751 door Pepijn de Korte afgezet.
Hijwerd
opgesloten in de Sint-Bertijns abdij in Sint-Omaars waar hij in 754
overleed. Het grafveld dient gedateerd rond het einde van de 6de - het begin der 7de eeuw. Het gaat hier om 255 graven, die werden ontdekt bij uitzavelingswerken, en die nader onderzocht konden worden door de Nationale Dienst voor Opgravingen en het Seminarie voor Archeologie van de R.U.G. van 1955 tot 1967; het betreft een typisch rijengrafveld, waar de overledenen bijgezet werden in houten kisten, al dan niet op dwarsbalken. Het nederzettingsonderzoek staat in onze regio nog
steeds in zijn kinderschoenen. De eerste sporen van merovingische
occupatie werden pas in 1975 aangesneden. Vroeg-middeleeuwse bewoning
wordt aangetoond door prospectie-vondsten o.a. te Nederzwalm. |
|||
|
Eerste kolonisatiefase (late 5de-
midden 6de eeuw) De kerstening van de Schelde-vallei De kerstening van het Beneden-Scheldegebied voltrekt zich pas in de loop van de Merovingische tijd. Rond 500 wordt te Doornik een episcopaat opgericht, waar St.Eleutherius komt te zetelen als eerste bisschop. De kerstening van de gebieden ten noorden, nl. van het Gentse (in 639) en van Chanelaus in Antwerpen (649-'50) volgen slechts ruim 100 jaar later en zijn het werk van een zuid-Franse zendeling, de H.Amandus. Hij bekeerde waarschijnlijk ook de gemeenschap van de nederzetting Hultheim (= Kruishout-em). Over dat vroege christendom in onze gewesten weten
wij niet veel. In onze regio missioneert vooral de H.Amandus, met de
steun van koning Dagobert en desnoods tegen de zin van onze voorouders,
die hun oude zeden en riten maar node los laten. Rond 650 sticht hij
nabij de samenvloeiing van Schelde en Leie twee primitieve
kloostergemeenschappen. Hieruit ontwikkelen zich de invloedrijke Gentse
abdijen van St.-Baafs en van St.-Pieters, de machtigste in Vlaanderen en
van de belangrijkste in heel West-Europa. de 7de eeuw De Merovingische vorsten voerden in de eerste helft van de 8ste eeuw een bestuurlijke reorganisatie door. De regressie van de zee en de daarmee gepaard gaande ingebruikneming van nieuwe stukken land leidde tot de oprichting van nieuwe PAGI (pagus = gouw), w.o. de Pagus Gandensis en de Pagus Wasia. Binnen de Pagus Bracbatensis (= Brabantse gouw), het vroegere Bracobanti, vond een herschikking plaats. Het graafschap Biest* kwam in de plaats van het gebied tussen Schelde en Dender, het vroegere gewest Velzeke dus. Er kwamen ook nieuwe graafschappen: Halle, Condacum... *Met betrekking tot de naam BIEST bleven slechts twee bronvermeldingen bewaard, uit het einde van de 10de en begin der 11de eeuw (een moment dus dat het graafschap al had opgehouden te bestaan). Het Liber Traditionum Sancti Petri Blandiniensis notuleert op 21 augustus 972 de schenking van een allodium te Herzele in BIESUTH ("37 ") en in het jaar 1011 omvat een gift van graaf Arnoul aan de abdij van Nijvel twee mansi op het Balegemse gehucht Walsegem in BISIT ("38"). Het graafschap Biest bleef in de loop der eeuwen in een mysterieuze nevel gehuld en in verband met een mogelijke identificatie schoven wetenschappers (Vander Kindere, 1902; Bonenfant, 1935; Ulrich Nonn, 1983) een aantal hypotheses naar voor. In haar originele betekenis verwijst 'BIEST' naar een met biezen begroeide natte weide. In dit vruchtbare graafschap, dat geen deel uitmaakte van het door water overstroomde gebied van de Duinkerke II-transgressie, kwamen slechts sporadisch biezen voor. Bijgevolg kon de naam niet slaan op het algemeen uitzicht van de streek, maar wel op de omgeving van een laag gelegen nederzetting in de nabijheid van een rivier. De bouw van een reeks militaire De hypothese Oombergen Een aantal historici o.w. prof. Koch en recent nog Manu Cherreté ( Koch A.C.F., 'Het graafschap Vlaanderen van de 9de eeuw tot 1070; Cherreté M., 'Institutionele evolutie van het land van Aalst', p.256) nemen aan dat de graven van Biest hun gebied vanuit de burcht van Oombergen bestuurden. Hoe dan ook situeerde zich te Oombergen een militaire vesting op de plaats waar in de 17de eeuw een majestueuze waterburcht stond. Het domein Ruddershove Het domein Wormen Rond 800 behoorde het Velzeeks domein Wormen, waarschijnlijk tengevolge van een koninklijke schenking, tot de bezittingen van de machtige Gentse St.Baafsabdij. Karel de Kale en de Duitse keizer Otto II bevestigden dit resp. in 864 en 976. Maar een halve eeuw later bekloeg abt Othelbold er zich over dat Oda, de kleindochter van markgraaf Godfried I de Gevangene ( ), Wormen in haar bezit hield. Prof. Verhulst leidt hieruit af dat het gebied na 976 ofwel door usurpatie of door een gedwongen transactie was ingelijfd door de heren van Velzeke en verenigd was met het domein Velzeke (Verhulst A, 'De Sint-Baafsabdij te Gent', pp. 426-435). In welke omstandigheden dit geschiedde blijft onduidelijk. Zette de koning de abdij onder druk om het gebied af te staan aan het invloedrijke geslacht van Ardennen? Of gebeurde dit in ruil voor een ander gebied? Of, derde mogelijke verklaring, maakten de heren van Velzeke handig gebruik van de ontreddering bij en na de invallen van de Noormannen om het domein Wormen te naasten?
De Noormannen Zoals de meeste abdijen in Vlaanderen valt ook de St.-Pietersabdij in Dikkelvenne ten prooi aan de roofzieke Noormannen. Het kostbaarste bezit, de relikwieën, trachten de vluchtende monniken in veiligheid te stellen. Zo belanden de relikwieën van de HH. Hilduardus en Christiana in het beter beveiligde Dendermonde. Na de aftocht van de Noormannen en de terugkeer der monniken blijkt herbeginnen in Dikkelvenne verre van gemakkelijk en tenslotte zal de Benedictijnenabdij, op initiatief van de graaf, in 1081 'verhuizen' naar de grensplaats Geraardsbergen. Aldaar herboren als St.-Adrianusabdij, zal zij een nieuwe eeuwenlange bloei tegemoet gaan ! Na de vlucht van talrijke grootgrondbezitters vulden de
domeinambtenaren het machtsvacuüm, dat deze nalieten. Zij usurpeerden (
= ) het gezag, namen
het gebied in bezit en onderwierpen de boeren aan hun diensten en
lasten. Pas na het vertrek van de Noormannen keerden de meeste
domeinen naar hun rechtmatige eigenaar terug. Aldus kwam als gevolg van
de voornoemde bedelbrief van abt Othelbold het gebied Zwalm opnieuw
onder het gezag van de St.Baafsabdij maar Wormen bleef in handen van
de heren van Velzeke. |
|||
| Van domein tot heerlijkheid
|
|||
| De
Merovingische periode eindigt met Pippijn de Korte en zijn opvolgers.
Zij streven naar een centraal gezag over het Frankische rijk. DE KAROLINGERS De Karolingers waren een geslacht van grootgrondbezitters wier naam is afgeleid van Karel de Grote. Zoals eerder verteld kwamen ze aan de macht in 751 met Pepijn de Korte als eerste Karolingische vorst. Deze liet zich kronen te Soissons, en zag zijn kroning bevestigd tijdens zijn zalving door de pauselijke gezant, de aartsbisschop Bonifatius. Pepijn was nu koning bij Gods genade en niemand kon nog zijn titel van koning betwisten. De Karolingische familie was oorspronkelijk afkomstig uit Austrasië maar
bezat een groot aantal domeinen in de streek van Tongeren, in de Maasvallei en
in de Ardennen. Zij waren zowat de rijkste grootgrondbezitters van de streek
rond Maastricht en dus ook de enige meesters in dat gebied. Dit zou de
geschiedenis van Vlaanderen sterk beïnvloeden. Toen Pepijn de Korte (Pepijn III)
in 768 overleed, werd hij opgevolgd door zijn oudste zoon Karel de
Grote (foto), in het Latijn Carolus Magnus, niet alleen omdat
hij groot was van
Vanaf 808 verbleef hij bijna uitsluitend in Aken, waardoor deze stad het grote aantrekkingspunt werd voor al wie met de koning of het rijk iets te maken had. Men kwam langs de oude Romeinse heirbaan Bavay-Keulen, langs de Moezel en de Maas wat ertoe leidde dat Maastricht één van de belangrijkste handelsteden werd van het Frankische rijk. Hierdoor schonk Karel de Grote aan Vlaanderen een schitterende maar ook een gevaarlijke centrale positie in West-Europa. Het zou die positie van dan af nooit meer zal verliezen. Heel het middelpunt van de middeleeuwse beschaving, een soort vlechtwerk van Romaanse en Germaanse culturen, werd hier gevormd. Alles wat er in Europa gebeurde, of het van godsdienstige, sociale of economische aard was, had zijn effect op Vlaanderen. Het zou in de toekomst het slagveld worden van Europa, maar ook een centrum van commerciële bedrijvigheid en grote bloei van het kunst- en letterkundig leven. Deze periode zou de geschiedenis ingaan als de 'Karolingische Renaissance'. Karel de Grote overleed in 814 en werd opgevolgd door Lodewijk de Vrome, de enige van Karels vier zonen die hem had overleefd en zo het gehele Frankische imperium erfde. In tegenstelling tot zijn illustere vader bleek Lodewijk een zwakkeling, die door zijn eigen zonen zou afgezet en naar een klooster verbannen worden... De Noormannen Nauwelijks was Lodewijk aan de macht of er kwam een groot gevaar opduiken, deze keer vanuit het noorden. De Vikings of Noormannen, woest en onverschrokken, gedreven door de grote getalsterkte van hun bevolking in een land waar te weinig voedsel te vinden was om iedereen te voeden, kwamen vanuit Denemarken, Noorwegen en Zweden met hun kromgerugde drakars de kusten van Friesland, Zeeland, Vlaanderen en Frankrijk overvallen. In 820 kwam de eerste aanval op de Vlaamse kust, met 13 drakars en 650 vikings, een aanval die echter werd afgeslagen door de Karolingische graven. Maar in 834 kwamen ze terug. Ze drongen langs de Rijnmonding Nederland binnen en verwoesten de handelsnederzetting Dorestad (het huidige Wijk bij Duurstede, aan de Lek). Een tweede groep voer de Schelde op en overviel Antwerpen dat werd leeggeplunderd. Tussen 840 en 860 kwamen steeds meer woeste benden Noormannen, meer bepaald de mannen van Rorik, onze contreien teisteren. In 842 overvielen ze opnieuw Dorestad dat totaal werd vernield en voor altijd verdween. In 850 lieten ze Terwaan in de vlammen opgaan, in 851 werd Gent in brand gestoken en in 852 werd de gehele Scheldevallei geplunderd. Overal waar ze verschenen vluchtte de bevolking, want de Vikings ontzagen
niets, ze moordden, stichtten brand, verkrachtten, plunderden en roofden alles
wat maar te grijpen viel waaronder onvermijdelijk de jonge vrouwen die niet
tijdig konden vluchten.
De vier tochten
vanuit het winterkamp te Gent 879-880
Eind augustus arriveren de Vikings terug in Gent, wordt aan hun schepen
gewerkt (om ze klaar te maken voor het transport van paarden) en varen
ze de Schelde af tot in Antwerpen en Maastricht, waar ze een gedeelte
van hun landleger vervoegen, dat over land tot daar was getrokken. Langs
de Maas richten zij in november 881 een nieuw winterkamp op, waarvan de
exacte ligging lange tijd een bron van geredetwist is geweest. Dat
winterkamp moet gelegen hebben op het huidige grondgebied van
Maasmechelen. Het tweede winterkamp te Leuven 891-892 De
terugkeer van de Vikingen naar het vasteland (896) Besluit
DE GRAAF |
|||
|