INLEIDING ONDERWIJS GESCHIEDENIS DE GEBOUWEN BEKENDE MENSEN DE EEUWELINGEN DE AMBACHTEN DE CULTUUR BIBLIOGRAFIE

 

BEERLEGEM

 


      Tot voor enkele decennia berustte de kennis van de Merovingische beschaving in ons land uitsluitend op het onderzoek van de begraafplaatsen (voor Oost-Vlaanderen werden merovingische sites ontdekt en onderzocht in Asper, Denderwindeke, Beerlegem en Waasmunster). De chronologie van deze begraafplaatsen toont aan dat deze kolonisatie in twee fazen is verlopen. De vroegste necropolen (o.m.Tournai Saint-Brice, Sint-Gillis-Dendermonde en Semmerzake) worden rond het midden van de 5de eeuw in gebruik genomen. De tweede groep (o.m. Asper, Velzeke, Kruishoutem) vanaf ca. 475. Uit archeologische vondsten blijkt dat bij deze immigratiegolven niet louter Franken, maar ook groepen uit de regio rond en ten noorden van de Rijnmonding en families uit het noord-Duitse kustgebied betrokken waren. Tenslotte zijn er ook aanwijzingen voor de aanwezigheid van restgroepen van het laat-Romeinse leger (Thuringi en Elbegermannen) in onze regio.

INLEIDING

Wanneer het Romeinse Rijk over zijn hoogtepunt heen is, dringen hier de Germaanse Franken binnen. Uit de geleidelijke versmelting van hun leefgewoonten met die van de Gallo-Romeinen en die van het moeizaam veld winnend christendom ontstaan de 'middeleeuwen'. De Merovingische vorst Clovis 'bekeert zich' en regeert aanvankelijk vanuit Doornik.

      Nadat de Germaanse aanwezigheid in het Romeinse imperium geleidelijk groeide vanaf de 2de-3de eeuw na Xus, hetzij als zgn. 'foederati' (= bondgenoten, die onder eigen leiders de grenzen verdedigden), hetzij als 'laeti' (gevangen Germanen die als landbouwers-krijgers in ontvolkte gebieden werden geplaatst), werd door de immigraties van de late 4de eeuw de basis gelegd voor de germanisering van Vlaanderen, gebeurde de grote en finale doorbraak van de romeinse rijksgrenzen op oudejaarsavond van 406 na Chr. Onze streek ontsnapte aan deze verwoestende invasiegolf dankzij de weerstand van de hoger vermelde Frankische foederati. Deze profiteerden wel van het verdwijnen van het romeinse bestuur om hun gebied naar het zuiden uit te breiden en hun eigen koninkrijken te stichten.

     In 476 werd de laatste keizer van Rome afgezet door Odoaker, hoofd van de Germaanse hulptroepen. De naam van die keizer was Romulus Augustulus, een spotnaam, want Augustulus betekent Klein Augustje. Dat was hij ook, een kind dat in 475 op de troon werd gezet en nauwelijks een jaar later op pensioen werd gestuurd. De ironie van de geschiedenis: Het Romeinse Rijk, dit machtige Rijk, in 753 vóór Christus gesticht door Romulus, een duchtig krijger en zoon van de god Mars, eindigde met een onmondig kind.

     Het betekende het einde van het Romeinse rijk én het einde van de Oudheid. Een nieuwe periode deed zijn intrede in de geschiedenis: de Middeleeuwen

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

Wie waren die Franken? Wie waren die 'barbaren' die door de Romeinen maar niet klein gekregen konden worden en die diezelfde Romeinen ten slotte uit onze contreien zouden verdrijven? De naam 'Franken' is in feite een verzamelnaam voor verscheidene groepen volksstammen waarvan de twee voornaamste de Salische Franken of Salïërs en de Ripuariërs zijn. Het waren de Salische Franken die zich het eerst in onze gewesten vestigden; eerst in de Kempen, langs de Grote en Kleine Nete en later in Noord-Brabant, in de streek van Reusel en Eersel. Die kolonisatie zou zich later uitbreiden en uitlopen op de totale verovering van geheel Gallië.

De Franken, opkomend vanuit het oosten, slaagden er in het jaar 356 in de Rijn over te steken en het gebied van Tongeren binnen te dringen en te bezetten. Die bezetting was echter van korte duur, want reeds kort daarop, in 358, werd het grootste gedeelte van de Frankische invallers door de Romeinen op de vlucht gedreven. De Romeinen waren onder het bevelhebberschap van keizer Flavius Julianus, bijgenaamd de Apostaat (de afvallige). Ondanks zijn overwinning had Julianus deze Franken niet over de Rijn kunnen terugdrijven. Zoals altijd wanneer de Romeinen met een of andere invaller een overeenkomst moesten sluiten, verkregen de Franken de titel van foederati (bondgenoten). Deze titel liet aan de achtergebleven Franken toe het veroverde gebied te behouden, op voorwaarde het in naam van het keizerrijk tegen om het even wie te verdedigen. Zo bevond de eerste nederzetting van de Franken in onze gewesten zich in de zandige en barre streken van Taxandrië (zowat het huidige Vlaams en Nederlands sprekende Brabant). Van dan af begon de zogenaamde Frankische kolonisatie, een kolonisatie die aan de bakermat lag van ons volk en onze taal.

De start daartoe werd gegeven in 406 wanneer de Alanen, de Vandalen en de Oostgoten, voort gezweept door de Hunnen die vanuit Azië naar Centraal Europa oprukten, massaal de Rijn overstaken en als een vloedgolf van woeste hordes zich over Gallië verspreidden.
Te midden deze verwarring, die door die volksverhuizing was veroorzaakt en gepaard ging met verwoesting, plundering, brandstichting en verkrachting, trokken de Franken vanuit onze streken naar het zuiden op zoek naar nieuwe gronden.

Zo maakten zij plaats voor een tweede kolonisatiegolf van Saliërs en Ripuariërs, die op hun beurt de Rijn overstaken en de streek tussen het huidige Maastricht en Tongeren bezetten. Van daar uit zijn ze verder getrokken naar het westen en hebben ze de streek rond Antwerpen en het gehele Leie-gebied gekoloniseerd, maar tot aan de Vlaamse kust zijn ze nooit doorgedrongen. Hun opmars in die richting werd gestuit door het zogenaamde Kolenwoud dat zich uitstrekte tussen Sint-Niklaas in het noorden en de Samber in het zuiden. Bovendien was heel het Vlaamse kustgebied tegen het einde van de 4de eeuw volledig onder water gelopen. De schaarse bevolking die er nog leefde, nakomelingen van de Morinen en de Atrebaten, hadden naar het binnenland de wijk genomen. Alleen het Vlaamse Woud, dat zich in zuidwestelijke richting uitstrekte langs de rechteroever van de IJzer, bleef van de overstroming gespaard. In de 7de eeuw had de zee zich echter teruggetrokken en waren het de Friezen die, samen met de Saksen, bezit hebben genomen van maritiem Vlaanderen.

Overigens moeten we ook vertellen dat overal waar in onze contreien de Frankische kolonisatie met de Oudfrankische taal is doorgedrongen, de Vlaamse bevolking is ontstaan, wiens taal later zou uitgroeien tot het middeleeuwse Vlaams.

De Salische Franken die vanuit Taxandrië naar het zuiden waren getrokken, hadden ondertussen omstreeks 431 Doornik bereikt. Deze stad was toen nog steeds in het bezit van de Romeinen, zodat hier opnieuw slag moest worden geleverd om verder te kunnen trekken.

Chlodio, de eerste Frankenkoning
Chlodio, de eerste Frankenkoning, uit het geslacht der Merovingen, overviel met zijn krijgers de Romeinse wachten en nam na een kort gevecht bezit van de stad die hij uitriep als centrum van zijn macht.

Wanneer Chlodio rond 430-440 vanuit zijn zetel Dispargum in Toxandrië de zuidwaartse expansie van de Salische Franken inzet, verplaatst het machtscentrum zich definitief naar noord-Gallië. De meeste Franken zijn bij deze veroveringstocht hun leider gevolgd; zij keerden hun woongebieden in de Kempen en noord-Brabant definitief de rug toe - het bewoningsvacuüm dat hierdoor ontstond, zou pas opnieuw opgevuld geraken rond het midden van de 6de eeuw.
Vanuit Doornik heeft de Frankische veroveringstocht zich verder naar het Zuiden ontwikkeld. Tussen 431 en 451 veroverden zij Kamerijk en Atrecht. Van daaruit stootten zij door tot aan de Somme en namen zij bezit van de streek rond Calais, waar hun taal tot in de 11de eeuw zou voortleven.
Maar wee de bevolking van de dorpen en nederzettingen waar ze voorbijkwamen. De mannen en vrouwen die niet tijdig konden vluchten werden gedood en de jonge vrouwen werden geroofd om als slavinnen te dienen. Het vee werd meegevoerd, de hoeven geplunderd, de buit op logge karren opgestapeld en wat overbleef platgebrand.


Childerik
Chlodio's zoon, Childerik, zette na de dood van zijn vader in 477 de veroveringstocht door Gallië verder naar het westen en naar het zuiden. Hij stierf in 481 en werd opgevolgd door zijn zoon Clovis.

     Wanneer Childerik zijn machtscentrum in Doornik vestigt, krijgt de Germaanse kolonisatie in het Scheldebekken een nieuwe impuls. De vruchtbare landbouwgronden en de rivieren, die belangrijke handelsroutes waren geworden, vormen hierbij de attractiepolen.

     Met de kolonisatie in de tweede helft der 5de eeuw werd de germanisering van de Vlaamse en noord-Franse kustzone en van het Scheldebekken, dat óns aanbelangt, geconcretiseerd. De immigraties van de 6de en 7de eeuw hebben het Germaanse blok in vernoemde gebieden verder versterkt en de leemtes die er nog waren in o.a. de Kempen en noord-Brabant opgevuld.

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

In 476 was ondertussen de laatste keizer van Rome, Romulus Augustulus - een spotnaam, want Augustulus betekent Klein Augustje (1) - afgezet door Odoaker, hoofd van de Germaanse hulptroepen. Het betekende het einde van het Romeinse rijk én het einde van de Oudheid. Een nieuwe periode deed zijn intrede in de geschiedenis: de Middeleeuwen die begonnen met wat we de vroege Middeleeuwen of ook soms wel de donkere Middeleeuwen noemen. Donker, want met de val van het Romeinse Rijk viel ook de Romeinse beschaving. De geschreven taal kween weg, de Romeinse cultuur en bestuursvormen raakten verloren. De gesofistikeerde Romeinse rechtspraak maakte plaats voor een rechtspraak waar de rechter niet naar bewijzen vroeg, maar die werd beslecht door gruwelijke tweegevechten die op leven en dood werden uitgevochten in de naam van God. De overwinnaar had altijd gelijk, zo had God beslist. De overgang van de Oudheid naar de Middeleeuwen was brutaal, gewelddadig, wreed en meedogenloos. Maar... welke periode in de geschiedenis was dat niet?

(1) Dat was hij ook, een kind dat in 475 op de troon werd gezet en nauwelijks een jaar later op pensioen werd gestuurd. De ironie van de geschiedenis: Het Romeinse Rijk, dit machtige Rijk, in 753 vóór Christus gesticht door Romulus, een duchtig krijger en zoon van de god Mars, eindigde met een onmondig kind.

Clovis ( - 511)

 

 

 

 

 

 

 

 

Clovis was wel de meest beruchte vorst van die tijd. Hij was zeer sluw en ongenadig, maar ook zeer begaafd en onovertroffen als veldheer. Met goud en mooie beloftes wist hij de meeste Frankische vorsten voor zich te winnen. Wie hem dwarszat, liet hij vermoorden. Zo groeide hij door middel van moord, verraad en een reeks vernietigende veldtochten uit tot de onbetwiste koning der Franken. Hij verzamelde een machtig leger en wist tussen 486 en 511 zijn macht te vestigen over het rijk van Syagrius, gelegen tussen de Somme en de Loire in, het land van de Bourgondiërs, in het bekken van de Rhöne en de Saöne en het rijk der Alamanen. Hij liet zich in 506 bekeren tot het Christendom en vestigde zich te Parijs. Zijn naam was eigenlijk Chlodowech, wat roemzuchtig gevecht betekent, in het Latijn vertaald door Hlodivicus, waarvan later de naam Lodewijk, de naam van 18 Franse koningen, werd afgeleid.
Clovis stierf in 511 en werd opgevolgd door zijn zoon Chlotarius l die heel het oostelijke gedeelte van Gallië aan het Frankische rijk toevoegde.

Na de dood van Clovis verloor Vlaanderen, het oude Francia of land der Franken, zijn naam die op geheel Gallië overgaat. Gedurende de gehele Merovingische periode zou Vlaanderen buiten de bemoeienissen van de Frankische koningen blijven, maar wel ingeschakeld blijven in de administratieve indelingen van het Frankische rijk, die pagi werden genoemd. Uit de documenten die uit die tijd zijn overgeleverd blijkt dat ons land in negen pagi was ingedeeld, waaronder de pagus Bracbatensis, wat zowat overeenkomt met het latere hertogdom Brabant, de pagus Gandensis en de pagus Mansuarensis (de huidige Kempen). Aan het hoofd van een pagus stond een grafio, waarvan later het woord 'graaf' werd afgeleid.

 

Chlotarius I (511-561)

Chlotarius  overleed in 561 en zijn rijk werd volgens het Salische erfrecht verdeeld tussen zijn vier zonen.

DE VERDELING VAN HET FRANKISCHE RIJK: Parijs en het westen, Neustrië, Austrasië en Bourgondië.

Charibert l erfde Parijs en het westen van het rijk tot aan de Pyreneeën. Sigebert l kreeg Austrasië ( het oostelijk gedeelte van het Merovingische rijk dat de Maas- en Rijnstreek omvatte). Guntramnus, zijn derde zoon, kreeg Bourgondië en de streek rond Orléans en Chilperik erfde Neustrië. Zo heette toen het westelijke gedeelte van het Frankische Rijk. Het zou tot aan de troonsbestijging van Pepijn de Korte een zelfstandig koninkrijk vormen dat in het noorden grensde aan de Schelde, in het zuiden aan de Loire en in het oosten aan Austrasië.
Na de dood van zijn broer Charibert l in 558 verwierf Chilperik heel diens gebied en om dit naar het zuiden toe te beveiligen huwde hij Galswithe, dochter van de Visigotische koning Athanagild die over Spanje regeerde. Galswithe werd echter in 573 vermoord, vermoedelijk vergiftigd door Fredegonde, slavin en minnares van Chilperik die met haar in het huwelijk trad en haar aldus tot koningin van Neustrië verhief.

De moord op Galswithe en het daarop volgende huwelijk gaven aanleiding tot een ononderbroken burgeroorlog tussen Neustrië en Austrasië die veertig jaar zou duren. Sigebert l, broer van Chilperik en koning van Austrasië was immers getrouwd met Brunhilde, de zuster van de vermoorde Galswithe. Noch Sigebert, noch Brunhilde konden het verkroppen dat een slavin als Fredegonde het door moord op hun schoonzuster en zuster tot koningin had gebracht.
Maar Fredegonde was een gevaarlijk personage die voor niets terugdeinsde. Om zich van die lastpost Sigebert te ontdoen liet ze hem in 575 in Vitry door twee van haar handlangers met giftige messen vermoorden. Maar dat betekende niet het einde van de oorlog, want nu werd ze een nog grotere rivale van Brunhilde, die door het vergif van Fredegonde niet alleen haar zuster maar nu ook haar man had verloren.

De positie van Brunhilde tegenover Fredegonde werd aanmerkelijk versterkt doordat haar schoonbroer Guntramnus, koning van Bourgondië, met haar een verbond sloot. Dit stelde haar in staat het weduwengoed van Fredegonde in te palmen. Maar het baatte allemaal niet veel. In 613 werd ze door Chlotarius II, zoon van Chilperik l en de ondertussen (rustig) overleden Fredegonde, gevangen genomen, gruwelijk gemarteld en tenslotte door een wild paard aan stukken gescheurd.
Deze strijd tussen Brunhilde en Fredegonde vinden we min of meer terug in de Siegfried-sage waar Brunhilde aan het einde van haar strijd wordt gedood door Theodrich, koning van de Oost-Goten (3).
Na de dood van Brunhilde werd Chlotarius II koning van het gehele Frankische rijk. Hij stierf in 629 en werd opgevolgd door zijn zoon Dagobert, die het rijk nog verder uitbreidde door de aanhechting van Gascogne dat tot aan zijn dood in 632 aan zijn broer Charibert II had behoord. Hierdoor strekte het Merovingische rijk zich nu uit over heel het West-Europese gebied tussen de Rijn en de Pyreneeën. Dagobert stierf in 639.

DE 'VADSIGE KONINGEN'

Na de dood van Dagobert in 639 begon een periode die gekenmerkt werd door een opeenvolging van zwakke koningen die de geschiedenis zijn ingegaan als les mis fainéants (de vadsige koningen). De laatste van deze 'vadsige koningen', Childerik III, werd in 751 door Pepijn de Korte afgezet. Hijwerd opgesloten in de Sint-Bertijns abdij in Sint-Omaars waar hij in 754 overleed.
Op dit laatste na is er onder de Merovingen weinig belangrijks gebeurd in onze streken. Dit verandert wanneer de Karolingers het Frankische koningschap overnamen.

Het merovingisch grafveld van Beerlegem

      Het grafveld dient gedateerd rond het einde van de 6de - het begin der 7de eeuw. Het gaat hier om 255 graven, die werden ontdekt bij uitzavelingswerken, en die nader onderzocht konden worden door de Nationale Dienst voor Opgravingen en het Seminarie voor Archeologie van de R.U.G. van 1955 tot 1967; het betreft een typisch rijengrafveld, waar de overledenen bijgezet werden in houten kisten, al dan niet op dwarsbalken.

Het nederzettingsonderzoek staat in onze regio nog steeds in zijn kinderschoenen. De eerste sporen van merovingische occupatie werden pas in 1975 aangesneden. Vroeg-middeleeuwse bewoning wordt aangetoond door prospectie-vondsten o.a. te Nederzwalm.
 

Eerste kolonisatiefase (late 5de- midden 6de eeuw)

      Kolonisten trekken in een groot sociaal verband (clan of 'lineage') onze streek binnen en vestigen zich individueel maar niet ver van mekaar. De nederzettingen bestaan uit slechts enkele gezinnen met zekere sociale egaliteit en zijn kleinschalig.
      De periode van de volksverhuizingen kenmerkt zich door een sterke terugval van de handelsactiviteiten; ten eerste waren de germaanse invallers van de 5de eeuw immers, in tegenstelling tot de gallo-romeinse bewoners, niet vertrouwd met de geldeconomie; ten tweede vielen koper en zilver weg als muntmetalen en tenslotte was er door de ineenstorting van het romeinse gezag het in verval geraken van het weggennet.
      Het hoofdaccent ligt dus op de landbouw, die in de beginperiode een vrij onstabiel karakter vertoont: privé-eigendom ontbreekt en de nadruk ligt op kleine veeteelt in bedrijfjes midden in de bossen.

De kerstening van de Schelde-vallei

      De kerstening van het Beneden-Scheldegebied voltrekt zich pas in de loop van de Merovingische tijd. Rond 500 wordt te Doornik een episcopaat opgericht, waar St.Eleutherius komt te zetelen als eerste bisschop. De kerstening van de gebieden ten noorden, nl. van het Gentse (in 639) en van Chanelaus in Antwerpen (649-'50) volgen slechts ruim 100 jaar later en zijn het werk van een zuid-Franse zendeling, de H.Amandus. Hij bekeerde waarschijnlijk ook de gemeenschap van de nederzetting Hultheim (= Kruishout-em).

Over dat vroege christendom in onze gewesten weten wij niet veel. In onze regio missioneert vooral de H.Amandus, met de steun van koning Dagobert en desnoods tegen de zin van onze voorouders, die hun oude zeden en riten maar node los laten. Rond 650 sticht hij nabij de samenvloeiing van Schelde en Leie twee primitieve kloostergemeenschappen. Hieruit ontwikkelen zich de invloedrijke Gentse abdijen van St.-Baafs en van St.-Pieters, de machtigste in Vlaanderen en van de belangrijkste in heel West-Europa.
Naast de verering van de H.Amandus is ook die van de H.Martinus van Tours, een Romeins legerofficier, zeer typisch in onze streken. Primitieve bedehuizen -de voorlopers van onze huidige parochiekerken -worden hen toegewijd. De machtige lokale grootgrondbezitters, optredend vanuit hun domeinen of villa's, steunen doelbewust deze jonge abdijen (al zullen zij er ook vaak gloeiende ruzie mee maken !), en deze laatste verwerven ook steeds meer gronden links en rechts. Hieruit putten zij rijkdom, invloed en macht! Van deze boeiende maar slecht gekende kloostergeschiedenis hebben wij een voorbeeld ter plekke. Ten tijde van Karel de Grote vestigen zich monniken in Dikkelvenne. Zij nemen de regel van de H.Benedictus aan. Wij kennen de eerste abt: een zekere Hilduardus. Deze weet de lokale heer Magrippus te bekeren en tot hulp bij de kerkbouw te bewegen. Intussen is ook een Engelse prinses, Christiana, met enkele gezellinnen zich op dezelfde plek komen vestigen. Hun levenswandel wekt bewondering en hen worden wondere daden toegeschreven. Hun graf wordt druk bezocht, zij worden als heilige voorsprekers vereerd en ter hulp geroepen bij alle mogelijke miseries van mens en dier.

de 7de eeuw

      Het beeld van de bewoningscultuur wijzigt grondig, wellicht o.i.v. de Austrasische adel vanaf 600: er ontstaan grote landbouwbedrijven (villae), samengesteld uit een hof (curticula) - het eigenlijke centrum van het domein - en een aantal casatae. De eigenaar of diens plaatsvervanger (de villicus), vaak een vroeger clanhoofd, resideert in de curticula; in de casatae leven families van eenvoudige boeren met een half-vrije of vrije status. Deze sociale stratigrafie vindt men bijvb. terug in de structuur van de Beerlegemse begraafplaats: de groep uiterst arme bijzettingen in het westen bevatten de resten van de horigen en slaven die op het domein bedrijvig waren.
      Economisch vigeert een zeker gesloten systeem, inherent aan de
 domaniale autarchie . Een groot deel van de ambachtelijke producten wordt geleverd door de half-vrije boeren; lokaal ligt de nadruk op het verwerken van deze goederen van agrarische oorsprong (het weven van linnen en fijne wollen stoffen, de leder- en huidenbewerking en de verwerking van hoorn en been tot o.a. kammen en spelden. Door meer te produceren dan nodig voor eigen gebruik kon geruild worden tegen importgoederen uit o.a. Frankrijk, de Rijnstreek en het mediterraan gebied.
      In zuid-Oost-Vlaanderen werden in deze periode geen munten geslagen.

De Merovingische vorsten voerden in de eerste helft van de 8ste eeuw een bestuurlijke reorganisatie door. De regressie van de zee en de daarmee gepaard gaande ingebruikneming van nieuwe stukken land leidde tot de oprichting van nieuwe PAGI (pagus = gouw), w.o. de Pagus Gandensis en de Pagus Wasia. Binnen de Pagus Bracbatensis (= Brabantse gouw), het vroegere Bracobanti, vond een herschikking plaats. Het graafschap Biest* kwam in de plaats van het gebied tussen Schelde en Dender, het vroegere gewest Velzeke dus. Er kwamen ook nieuwe graafschappen: Halle, Condacum...

*Met betrekking tot de naam BIEST bleven slechts twee bronvermeldingen bewaard, uit het einde van de 10de en begin der 11de eeuw (een moment dus dat het graafschap al had opgehouden te bestaan). Het Liber Traditionum Sancti Petri Blandiniensis notuleert op 21 augustus 972 de schenking van een allodium te Herzele in BIESUTH ("37 ") en in het jaar 1011 omvat een gift van graaf Arnoul aan de abdij van Nijvel twee mansi op het Balegemse gehucht Walsegem in BISIT ("38").

Het graafschap Biest bleef in de loop der eeuwen in een mysterieuze nevel gehuld en in verband met een mogelijke identificatie schoven wetenschappers (Vander Kindere, 1902; Bonenfant, 1935; Ulrich Nonn, 1983) een aantal hypotheses naar voor.

In haar originele betekenis verwijst 'BIEST' naar een met biezen begroeide natte weide. In dit vruchtbare graafschap, dat geen deel uitmaakte van het door water overstroomde gebied van de Duinkerke II-transgressie, kwamen slechts sporadisch biezen voor. Bijgevolg kon de naam niet slaan op het algemeen uitzicht van de streek, maar wel op de omgeving van een laag gelegen nederzetting in de nabijheid van een rivier. De bouw van een reeks militaire

De hypothese Oombergen

Een aantal historici o.w. prof. Koch en recent nog Manu Cherreté ( Koch A.C.F., 'Het graafschap Vlaanderen van de 9de eeuw tot 1070; Cherreté M., 'Institutionele evolutie van het land van Aalst', p.256) nemen aan dat de graven van Biest hun gebied vanuit de burcht van Oombergen bestuurden. Hoe dan ook situeerde zich te Oombergen een militaire vesting op de plaats waar in de 17de eeuw een majestueuze waterburcht stond.

Het domein Ruddershove

Het domein Wormen

Rond 800 behoorde het Velzeeks domein Wormen, waarschijnlijk tengevolge van een koninklijke schenking, tot de bezittingen van de machtige Gentse St.Baafsabdij. Karel de Kale en de Duitse keizer Otto II bevestigden dit resp. in 864 en 976. Maar een halve eeuw later bekloeg abt Othelbold er zich over dat Oda, de kleindochter van markgraaf Godfried I de Gevangene ( ), Wormen in haar bezit hield. Prof. Verhulst leidt hieruit af dat het gebied na 976 ofwel door usurpatie of door een gedwongen transactie was ingelijfd door de heren van Velzeke en verenigd was met het domein Velzeke (Verhulst A, 'De Sint-Baafsabdij te Gent', pp. 426-435). In welke omstandigheden dit geschiedde blijft onduidelijk. Zette de koning de abdij onder druk om het gebied af te staan aan het invloedrijke geslacht van Ardennen? Of gebeurde dit in ruil voor een ander gebied? Of, derde mogelijke verklaring, maakten de heren van Velzeke handig gebruik van de ontreddering bij en na de invallen van de Noormannen om het domein Wormen te naasten?


Was Velzeke de hoofdplaats van het graafschap Biest?

De Noormannen
 

De Vikingen of Noormannen trokken vanaf het einde der 9de eeuw en in de 10de eeuw een spoor van vernieling doorheen de Lage Landen. Vanuit hun kamp in de Gentse St.Baafsabdij plunderden zij in zuid-Oost-Vlaanderen het domein der abdij van Zegelsem en de abdij van Dikkelvenne (Van Durme L., 'De St.Pietersabdij te Dikkelvenne', pp.73-77 en Verhulst A. & Declercq G., 'Het vroeg-middeleeuwse Gent tussen abdijen en grafelijke versterking', p.53).

Zoals de meeste abdijen in Vlaanderen valt ook de St.-Pietersabdij in Dikkelvenne ten prooi aan de roofzieke Noormannen. Het kostbaarste bezit, de relikwieën, trachten de vluchtende monniken in veiligheid te stellen. Zo belanden de relikwieën van de HH. Hilduardus en Christiana in het beter beveiligde Dendermonde. Na de aftocht van de Noormannen en de terugkeer der monniken blijkt herbeginnen in Dikkelvenne verre van gemakkelijk en tenslotte zal de Benedictijnenabdij, op initiatief van de graaf, in 1081 'verhuizen' naar de grensplaats Geraardsbergen. Aldaar herboren als St.-Adrianusabdij, zal zij een nieuwe eeuwenlange bloei tegemoet gaan !

Na de vlucht van talrijke grootgrondbezitters vulden de domeinambtenaren het machtsvacuüm, dat deze nalieten. Zij usurpeerden ( = ) het gezag, namen het gebied in bezit en onderwierpen de boeren aan hun diensten en lasten. Pas na het vertrek van de Noormannen keerden de meeste domeinen naar hun rechtmatige eigenaar terug. Aldus kwam als gevolg van de voornoemde bedelbrief van abt Othelbold het gebied Zwalm opnieuw onder het gezag van de St.Baafsabdij maar Wormen bleef in handen van de heren van Velzeke.
Toch hield het ná 976 één gemaakte domein Velzeke-Wormen slechts enkele decennia stand. De kapers op de kust waren de heren van Gavere, die vanuit hun imposante waterburcht de controle voerden over de Schelde. De RASEN van Gavere - tien tegen één uit dit geslacht hadden de voornaam Raas - slaagden er vanaf de 11de eeuw in macht en invloed aanzienlijk te versterken.
 

Van domein tot heerlijkheid

 

      De Merovingische periode eindigt met Pippijn de Korte en zijn opvolgers. Zij streven naar een centraal gezag over het Frankische rijk.

DE KAROLINGERS

De Karolingers waren een geslacht van grootgrondbezitters wier naam is afgeleid van Karel de Grote. Zoals eerder verteld kwamen ze aan de macht in 751 met Pepijn de Korte als eerste Karolingische vorst. Deze liet zich kronen te Soissons, en zag zijn kroning bevestigd tijdens zijn zalving door de pauselijke gezant, de aartsbisschop Bonifatius. Pepijn was nu koning bij Gods genade en niemand kon nog zijn titel van koning betwisten.

De Karolingische familie was oorspronkelijk afkomstig uit Austrasië maar bezat een groot aantal domeinen in de streek van Tongeren, in de Maasvallei en in de Ardennen. Zij waren zowat de rijkste grootgrondbezitters van de streek rond Maastricht en dus ook de enige meesters in dat gebied. Dit zou de geschiedenis van Vlaanderen sterk beïnvloeden. Toen Pepijn de Korte (Pepijn III) in 768 overleed, werd hij opgevolgd door zijn oudste zoon Karel de Grote (foto), in het Latijn Carolus Magnus, niet alleen omdat hij groot was van gestalte maar omwille van zijn daden. Hij veroverde in 774 het rijk der Longobarden in Noord-ltalië, vestigde een protectoraat over de pauselijke staat, nam in 778 bezit van het hertogdom Beieren en voegde na een bloedige zevenjarige oorlog in 785 Friesland en het land van de Saksen toe aan zijn rijk. Hierdoor verschoof hij de grenzen van het Frankische rijk tot aan de Elbe.

Vanaf 808 verbleef hij bijna uitsluitend in Aken, waardoor deze stad het grote aantrekkingspunt werd voor al wie met de koning of het rijk iets te maken had. Men kwam langs de oude Romeinse heirbaan Bavay-Keulen, langs de Moezel en de Maas wat ertoe leidde dat Maastricht één van de belangrijkste handelsteden werd van het Frankische rijk. Hierdoor schonk Karel de Grote aan Vlaanderen een schitterende maar ook een gevaarlijke centrale positie in West-Europa. Het zou die positie van dan af nooit meer zal verliezen. Heel het middelpunt van de middeleeuwse beschaving, een soort vlechtwerk van Romaanse en Germaanse culturen, werd hier gevormd. Alles wat er in Europa gebeurde, of het van godsdienstige, sociale of economische aard was, had zijn effect op Vlaanderen. Het zou in de toekomst het slagveld worden van Europa, maar ook een centrum van commerciële bedrijvigheid en grote bloei van het kunst- en letterkundig leven. Deze periode zou de geschiedenis ingaan als de 'Karolingische Renaissance'.

Karel de Grote overleed in 814 en werd opgevolgd door Lodewijk de Vrome, de enige van Karels vier zonen die hem had overleefd en zo het gehele Frankische imperium erfde. In tegenstelling tot zijn illustere vader bleek Lodewijk een zwakkeling, die door zijn eigen zonen zou afgezet en naar een klooster verbannen worden...

 De Noormannen

Nauwelijks was Lodewijk aan de macht of er kwam een groot gevaar opduiken, deze keer vanuit het noorden. De Vikings of Noormannen, woest en onverschrokken, gedreven door de grote getalsterkte van hun bevolking in een land waar te weinig voedsel te vinden was om iedereen te voeden, kwamen vanuit Denemarken, Noorwegen en Zweden met hun kromgerugde drakars de kusten van Friesland, Zeeland, Vlaanderen en Frankrijk overvallen.

In 820 kwam de eerste aanval op de Vlaamse kust, met 13 drakars en 650 vikings, een aanval die echter werd afgeslagen door de Karolingische graven. Maar in 834 kwamen ze terug. Ze drongen langs de Rijnmonding Nederland binnen en verwoesten de handelsnederzetting Dorestad (het huidige Wijk bij Duurstede, aan de Lek). Een tweede groep voer de Schelde op en overviel Antwerpen dat werd leeggeplunderd. Tussen 840 en 860 kwamen steeds meer woeste benden Noormannen, meer bepaald de mannen van Rorik, onze contreien teisteren. In 842 overvielen ze opnieuw Dorestad dat totaal werd vernield en voor altijd verdween. In 850 lieten ze Terwaan in de vlammen opgaan, in 851 werd Gent in brand gestoken en in 852 werd de gehele Scheldevallei geplunderd.

Overal waar ze verschenen vluchtte de bevolking, want de Vikings ontzagen niets, ze moordden, stichtten brand, verkrachtten, plunderden en roofden alles wat maar te grijpen viel waaronder onvermijdelijk de jonge vrouwen die niet tijdig konden vluchten.
Enkel in de vestingen vond de bevolking enige bescherming, want de Noormannen waren niet bepaald bedreven in het voeren van een beleg. Daarom begon men overal rond kloosters en de belangrijkste herenwoningen versterkte, stenen omheiningen aan te leggen waarbinnen de omwonende bevolking kon schuilen en die later zouden leiden tot het ontstaan van de versterkte steden.

De vier tochten vanuit het winterkamp te Gent 879-880
     Het Gentse Vikingenkamp bevond zich precies op de plaats waar bepaalde vertakkingen van de Schelde en de Leie elkaar het dichtst naderden, alvorens zich definitief te vinden aan de Nieuwburgkaai, d.w.z. een paar honderd meter voorbij  de kampstructuur. De naam Gentbrugge verwijst naar deze gebeurtenis. Er wordt ook een Wy-tempel binnen het kamp opgericht.
     De eerste tocht vanuit Gent vertrok al in december 879 en duurde tot in januari 880. De Scheldevallei werd daarbij systematisch geplunderd. Te Gavere zijn nog altijd de sporen te vinden van een grote verschansing, door de Noormannen tegen de helling van de Gaverse site aangelegd. Het grote, lange marktplein van Gavere vormt een prachtig centraal plein, van waaruit de abdij van Dikkelvenne werd geplunderd, waarna ze in brand werd gestoken (dit gaf later aanleiding tot het ontstaan van de mooi opgesmukte legende i.v.m. een bezoek vanuit Engeland(!) van de heilige Christina). Te Dikkelvenne zijn er in elk geval in de buurt van de Elvenstraat sporen waarneembaar van een Vikingen-verschansing,
een aftekening waarvan de gemeentegrens met Meilegem een grens vormt.
     Tijdens die eerste tocht wordt o.a. ook Doornik geplunderd.
     De voornaamste en ook verste 'prestatie' van de Noormannen op hun tweede tocht vanuit het Gentse winterkamp was de plundering van de omgeving van Reims. De heen- en terugreis naar Reims is bijzonder gemakkelijk te schetsen: komende vanuit de Gentse vesting neemt het Vikingenleger op het grondgebied van Ledeberg een binnenweg, die ze op de Hundelgemsesteenweg brengt en zo tot in Beerlegem, waardoor zij rechtdoor stappend ten zuidwesten van Brakel op de weg komen die ze naar Bavai leidt, van waaruit zij maar de weg naar Reims hoeven te volgen. Tijdens hun terugtocht in februari 880 wordt het Noormannenleger aangevallen door een Oostfrankische troepenmacht, onder de leiding van koning Lodewijk de Jonge. In deze veldslag in 'Tutonium' (waarschijnlijk de hedendaagse plaats Wadeincourt nabij Thumaide) sneuvelen meer dan 5000 Vikingen - de overlevenden vluchten terug naar Gent.
     De derde tocht vanuit Gent wordt uitgevoerd in juli 880 door Vikingen die naar het kamp van Doornik worden gestuurd om samen met de aldaar al gelegerde manschappen de abt van de abdij van St-Germain-des-Prés, Gosselin, en zijn leger op te vangen.
     De vierde en laatste tocht betreft de verplaatsing van het winterkamp naar het gebied van Kortrijk in november 880. De stad Deinze wordt te dezer gelegenheid voor het eerst vermeld. Daarover schrijft Sanderus: "Ook is het zeker dat de Wandalen, en de overige hoop der Barbaarsche Hunnen in het jaar 500 na Christi geboorte, de Stadt Gendt ingenoomen, en op verscheide Plaatsen, doch voornamelijk langs de Leye, Kasteelen opgerecht hebben; en dus is het zeer waarschijnlijk, zeg ik, dat Deinze haaren Oorsprong aan een van hunnen Veldheeren verschuldigt is. Het is mede buiten alle Tegenspraak, en alle de Geschiedschrijvers komen overeen, dat deze Stadt kort na de Neerlaag der Noormannen, welke in 880 voorgevallen is, bekent is geweest, en eene Hoofdkerk gehad heeft..." - het spreekt vanzelf, dat men de door Sanderus eerstvermelde datum met een korreltje zout moet nemen.
     Het kamp in Kortrijk zou als (uitvals)basis dienen voor tochten, die reikten tot Bauvais, Atrecht (Arras), Amiens, Corbie, Kamerijk (Cambrai) en Saucourt-en-Vimeu.
     In Kortrijk zelf voeren de Noormannen vestingwerken uit, die 421 jaar later aan de Vlamingen de mogelijkheid zouden bieden om een ideale positie in te nemen op een hiostorisch geworden slagveld: de Groeningegracht en wal op de Groeningekouter.

     Eind augustus arriveren de Vikings terug in Gent, wordt aan hun schepen gewerkt (om ze klaar te maken voor het transport van paarden) en varen ze de Schelde af tot in Antwerpen en Maastricht, waar ze een gedeelte van hun landleger vervoegen, dat over land tot daar was getrokken. Langs de Maas richten zij in november 881 een nieuw winterkamp op, waarvan de exacte ligging lange tijd een bron van geredetwist is geweest. Dat  winterkamp moet gelegen hebben op het huidige grondgebied van Maasmechelen.
     Vanuit Hasloa ondernemen de Vikingen een 8-tal tochten, waarbij zij o.a. tot in Duitsland (Oost-Francië) doordringen. Ondertussen worden zij in hun eigen winterkamp in 882 bedreigd door een gemengde troepenmacht, op de been gebracht door Karel de Dikke; een geweldig onweder, dat op 21 juni 882 de ganse Maasstreek teistert en paniek veroorzaakt bij beide legers en het Vikingkamp wordt weggespoeld - dit natuurgeweld stemt beide tegenstanders tot vredelievender gedachten, er wordt onderhandeld en de Vikingenkoning Godfried krijgt een leen aangeboden (ergens in Holland of Friesland) - weliswaar op voorwaarde dat hij zich laat dopen én een Kristenvrouw huwt - waarschijnlijk is dat hem ook een flinke afkoopsom wordt aangeboden. Hoe dan ook, Godfried vertrekt met zijn mannen naar Friesland. De achtste en laatste tocht vanuit Hasloa brengt de Vikingen opnieuw in ons Scheldebekken. Ze belanden in Gent om vervolgens langs Gavere en Doornik naar Condé-sur-l' Escaut te trekken en er onder leiding van hun koning Siegfried een nieuw winterkamp op te richten.
     Na in 883 een Frankisch leger o.l.v koning Karolman te hebben verslagen trekken de Vikingen naar Amiens om er een nieuw winterkamp te bouwen, een wapenstilstand af te dwingen (waarbij ze een enorme afkoopsom ontvangen) en over zee en land naar Boulogne trekken. Het Grote Leger splitst zich daar in twee groepen. Het landleger richt op een plaats langs de Dijle een nieuw winterkamp op, die nadien steeds Lovon, Leuven of Louvain wordt genoemd. Van daaruit ondernemen de Vikingen weerom verschillende tochten. Te Leuven worden zij in 885 echter belegerd door een Frankenleger en trekken er gedwongen weg richting Rouen en Pont-de-l'Arche. Daar treffen zij hun vloot en de legergroep die in 884 naar Engeland was getrokken - en daar o.a. Rochester had veroverd. Het aldus versterkte Vikingenleger (40.000 man sterk!) is klaar voor de verovering van Parijs en zijn verdere tochten naar het zuiden.

Het tweede winterkamp te Leuven 891-892

De terugkeer van de Vikingen naar het vasteland (896)
     In 896 keren de Vikingen vanuit Engeland naar het Europese vasteland terug met aan het hoofd koning Rollo (die de latere eerste koning van Normandië zou worden). Rollo krijgt als bijnaam 'de wandelaar' omdat hij in de daaropvolgende tien jaren met zijn mannen werkelijk kriskras door Europa trekt. Meer dan waarschijnlijk bezette hij tussen 896 en 911 aldus opnieuw grote delen van Vlaanderen. In 911 'schenkt'de Franse koning Karel III, in het kader van zijn politiek van bufferzones, aan Rollo een brede kuststrook, gelegen  tussen het schiereiland van Cotentin en de rivier de Bresle: het hertogdo Normandië was geboren!

Besluit
     Eén der belangrijkste gevolgen van de woelige tijd van de invallen der Noormannen in onze streken was de zgn. 'usurpatie' van het grondbezit. De meeste landbouwontginningen, de zgn. 'mansionilies', vanouds eigen aan de Frankische bewoning, vielen na de Vikingaanvallen in de handen van diegenen, die zich 'heren' noemden. Deze heren, bijvoorbeeld de graven van Vlaanderen, speelden deze gronden later toe aan de kerk. Kerk en adel kwamen dus verrijkt uit de restauratie, die volgde op de invallen van de Noormannen.

DE 'KAROLINGISCHE BROEDERSTRIJD'

Ondertussen was in 840 Lodewijk de Vrome overleden en liet hij zijn rijk na aan zijn oudste zoon Lotharius, op voorwaarde dat deze een gedeelte van het grondgebied aan zijn beide broeders zou afstaan. Maar Lotharius weigerde, waardoor zijn twee broers, Lodewijk, later bijgenaamd de Duitser, en Karel II, bijgenaamd de Kale, tegen hem een verbond sloten wat aanleiding gaf tot wat men later de 'Karolingische broederstrijd' zou noemen.

HET VERDRAG VAN VERDUN (843)

     Deze strijd werd afgesloten in 843 met het beruchte Verdrag van Verdun (afbeelding) waarbij het machtige rijk van Karel de Grote onder de drie broeders werd verdeeld. Lodewijk de Duitser kreeg het oostelijke deel, Karel de Kale het westelijke deel en Lotharius erfde de keizerstitel en het middelste rijk, Lotharingen, dat naar hem werd genoemd. Dit laatst vernoemde rijk verzwakt snel en kent maar een kort bestaan - in 870 houdt het op te bestaan door het verdrag van Meerssen, en in 925 ingelijfd wordt door Oost-Francia, dat daardoor dus ook een groot deel van wat later ons land wordt omvat.

Vlaanderen lag in het noordelijke gedeelte van dit nieuwe rijk. Het is hier dat het Graafschap Vlaanderen zijn ontstaan zou vinden.

    
In onze 'uithoek' van dit Oost-Frankische rijk huwt Boudewijn met de Ijzeren Arm, een ambtenaar van de Franse koning en tevens diens leenheer in een Vlaamse gouw, met de dochter van de koning. Het is de zoon van deze Boudewijn die de eerste graaf van Vlaanderen zou worden...




 

DE GRAAF

     De graaf trad op als rechter, riep de vrije mannen onder de wapens voor de krijgsmacht van de koning en inde de belastingen. Zijn voornaamste rol bestond erin de vrede en de veiligheid van de pagus te vrijwaren.
De bevolking was samengesteld uit drie sociale standen: de vrije mannen, de aristocratie of grootgrondbezitters, die een groot aantal slaven (laeten) in hun dienst hadden. In het toen vrij dun bevolkte Vlaanderen was het aan de machtigste der stammen niet zo moeilijk om met enige durf en onverschrokkenheid grote hoeveelheden grond in bezit te nemen, cijnsmannen (belastingontvangers) aan te stellen, deze op hun grond een woonplaats te geven en de slaven of laten hun land te laten bewerken. Van kleine vrije grondbezitters was er weinig sprake. Voortdurend geteisterd door roversbenden, waren ze dikwijls verplicht de bescherming te vragen van de graaf in ruil voor hun grond. Zo werden de graven steeds rijker en machtiger en werden de vrije boeren meer en meer van hen afhankelijk.
 

Laatst bijgewerkt woensdag 24 september 2008


Mijn Homepage  Homepage Zwalm  Homepage Munkzwalm