INLEIDING ONDERWIJS GESCHIEDENIS DE GEBOUWEN BEKENDE MENSEN DE EEUWELINGEN DE AMBACHTEN DE CULTUUR BIBLIOGRAFIE

VOLKSVERHALEN & LEGENDES
 

Hoevespoken

     Da was een oud boerenhof en mijn moeder heur broere werktege daar, nonkel Lowie, 'k weet 't goed zille!
     En alle nachten wierder daar gedanst en gespeeld en kirmesse g'houwen. En de keunink was daarbij en zijn wijf was daarbij en alle toeren waren daar te zien. En 't was daar een dochter - Honoriene heettege ze - en die Honoriene was doodschou. En 't was daarmee da mijnen nonkele, mijn moeders broere, daar moest blijven slapen.
     Maar op ne nacht, z'hân hem bij de kele g'had en z'hân ne gedouwen en gewurgd en as 't ie 's nuchties opstond - dienen baas heettege Kamiel - "Kamielke, zei 't ie, "ik en slaap hier nie meer. Al die heren en die ieffrouwen en die keuningen die 'kik hier g'hele nachten zie", zei't ie, "da es gedaan!"
     En Lowie en wildege daar nie meer gaan slapen.
     En da heeft daar gebeurd waar da boer Stan weunt. Daar zijn wree toeren gebeurd.

(De Weerdt Octavie, 75 j., herbergierster, Munkzwalm)

De weerwolf (1)

     Moeder gink naar 't fabrieke en onder de bane wieren ze van tijd tot tijd 'houen staan van de weerwolven.
     Enne, z'han een wat klodden mee uit de fabrieke en ze gaven ulder datte en binst dat ze dat opendeen, waren ze voorst naar huis.

(De Jaegher Christine, 60j., huishoudster, Munkzwalm)







 

De weerwolf (2)

     Als de weerwolf liept, tan was ter armoe.
     En de boeren han gebakken en 't liept daar ne verklede man mee iet op zijn hoofd en as ze gingen veur older brood uit te trekken, 't brood was vertrokken. Da was de weerwolf die 't a'maal kwaamt pakken.

(De Weerdt Octavie, 75j., herbergierster, Munkzwalm)

 

Spookgeit
     Puttenzen Door was op wacht achter een hof. En mee ene keer ie hoort azo een gedruis in de bomen. En da was altijd maar bleten, bleten gelijk een geite. Bij zoverre, dat ie dat den derden avond kenbaar maaktege.
     En 't kwam daar van Brussel, van Gent, van Antwerpen, van Frankrijk, en da kwam dar a'maal naartoe veur te kijken - Jamaar da es waar zille. En 't halver negen kwam die geite daar toe, maar z'en bleeft daaar toch nooit nie lange.
     Tot as de paters daar geweest hen. Maar t'en es nie ontdaan veur g'heel 't leven zille. Z'hen dat daar weggedaan hein, maar 't en es veur g'heel 't leven nie zille, 't zal nog weerkommen.

(De Weerdt Octavie, Herbergierster, 75j., Munkzwalm)

Spookdieren

     Hier in de kouter staat een linde se, en daar es ter van leven vele gebeurd.
     Altemets zat dat daar's nachts vul zwarte katten, tuus ne keer een bende roste, tuus ne keer nen hoop witte konijnen, ofwel zwarte. Da was daar 't een achter 't ander.
     Op ne keer stonden der mannen achter, of wijven mee witte rokken, achter die linde.
 

 


 HEKSENVERHALEN
 

De heksen(vervolgingen) – die hun hoogtepunt kenden in de 16de en 17de eeuw, hebben hun sporen nagelaten. Zo is ‘de heksenjacht’ een begrip, dat we nog steeds gebruiken in onze woordenschat. Het is in onze taal ingeburgerd als ‘een niets ontziende bestrijding van niet-aanvaardbaar geachte meningen’. Ook de heks als figuur heeft de vervolgingen overleefd en wordt gebruikt om kinderen en volwassen op hun hoede te laten zijn. De heks zoals we ze nog altijd kennen, heeft haar diepe wortels in het volksgeloof. Volkskundigen tekenen een rijk corpus aan sagen (een genre volksverhaal dat, in tegenstelling tot het sprookje, als waarheid wil geloofd worden) op over heksen, tovenaars of toverij. In hetgeen volgt vergelijken we het beeld van de heks uit de periodes van de vervolgingen, grotendeels een constructie van kerkelijke geleerden, met de heks zoals uit de 19de – en 20ste-eeuwse verhalen naar voor komt.

De typering van de heks

Van het globale aantal sagen, dat in Vlaanderen is overgeleverd, bestaat de grote meerderheid uit heksensagen.
Het globale beeld van de heks is dat van de vrouw uit de buurt, of toch een vertrouwd iemand, die vaak aan huis komt, vlot omgaat met kinderen en dieren en die betovert, of onheil over huis en inwoners veroorzaakt. Hoewel zelden wordt vermeld dat het over iemand op leeftijd gaat, is het zo aannemelijk dat dit eigenlijk niet specifiek moet worden aangehaald. Er wordt trouwens nooit een specifieke persoonsbeschrijving gegeven. Dat bevestigt nog maar eens het realiteitskarakter van het genre: de klemtoon in de verhalen ligt op het gebeurde, dat is wat men heeft onthouden.
De algemene teneur is dat het kwaad steeds uit onverwachte hoek komt, wat de slagkracht ervan en de angst ervoor alleen nog maar vergroot.
Het doorsnee sociale profiel: iemand uit de buurt, vaak zelfs de buurvrouw. Het gevaar van de kwade hand is dus steeds nabij…Leursters worden altijd argwanend bekeken want ze kunnen kinderen ziek maken of andere tegenslag brengen. De verhalen/sagen over de laatste hebben een duidelijk didactische inslag: ze willen vooral de kinderen tot voorzichtigheid tegenover vreemden aansporen. Een andere, minder voorkomende groep vrouwen, aan wie althans in de sagen allerlei kwaad wordt toegedicht, is die der vroedvrouwen. Van hen zou men wel een groter aandeel in het kwaad mogen verwachten, gezien zij in een ideale machtspositie staan om pasgeborenen te beheksen. Wellicht heeft hun gering aandeel in de hekserij te maken met het feit, dat de vroedvrouw toch, door de grotere nabijheid van de arts, een minder prominente rol is gaan spelen dan in de middeleeuwen. Een enkele keer is het een bedelares, die wordt aangezien als heks.
De heks als spook komt een paar malen naar voor. Zij ageert dan tussen middernacht en één uur maar eerder dan kwaad te doen jaagt zij dan ‘enkel’ angst aan. Magie en spokerij worden in het volksgeloof wel vaker met mekaar geassocieerd/verward. Spoken krijgen een minder onschuldig karakter, als zij enkel tot rust kunnen worden gebracht door een (zoen)offer. Het gooien met erwten komt hierbij meermaals voor.

De kwade hand

Het ‘maleficium’ treft de mens steeds in zijn essentieel levensonderhoud; in een agrarische maatschappij is dat ergste kwaad steeds ziekte bij mens (meestal de kinderen) of dier (onmisbaar op de boerderij). Meestal betreffen de beschreven ziektes een kwaal, die indertijd raadselachig of zonder genezing was, zodat zelfs artsen ze aan ‘de kwade hand’ toeschreven. Dan konden enkel geestelijken nog helpen…En als men het kwade te boven kwam, was men een sterker mens dan voorheen. In een klein percentage was de betovering fataal.
In een aantal gevallen is er sprake van zuivelbetovering; de heks bezoekt de boerderij, krijgt melk te drinken en er loopt nadien iets mis met de melkproductie.
Er kan ook iets gebeuren tijdens het bestrijden van het kwaad: terwijl  men naar de paters is, gebeurt er iets raadselachtigs – alsof men wil verhalen dat het kwaad zo tenietgedaan wordt.

Hoe treft het kwade de slachtoffers?

Meestal is de aanwezigheid van de heks/tovenaar al voldoende. In andere gevallen komt de betovering tot stand door aanraking.
Nog elders wordt men ziek door voedsel.
Een derde vorm is de betovering door verwensing.
Meestal gebeurt de betovering echter op een ondoorzichtige manier, door ‘invulvatie’.
Al bij al wordt weinig aandacht gegeven aan de methodes die heksen gebruiken. Het volk ziet enkel de effecten, die een betovering meebrengt.
Van ‘toverboeken’ is weinig of geen sprake.

Waarom verricht de heks/tovenaar het kwaad?

Dat is nu een vraag, die de eenvoudige volksmens zich gewoonweg niet stelt, want in volksverhalen is zelden of nooit sprake van een motief. Het kwaaddoen is gewoon een eigenschap, inherent aan de heks. Ze lijkt ertoe gedwongen; soms door een bezetenheid, die men dan wel kan weren met aparte middelen, maar men mag de heks in géén geval zelf kwaad berokkenen.

                                                                                                                                                                                              

Heks doet kind verdwijnen

Hier in de geburen hân z'een kind da nog in de wiege laagt en da kind wier wreed betoverd; de enen dag in de wiege à'maal padden, den andren dag à'maal schoenen, nen andren dag a'maal koeken, tans al ne keer geld; der lag daar altijd iet in die wiege. Bij zoverre dat da kind altemets was da zijn kop gekeerd was. Da es echt gebeurd zille!
Z'hên zouder mee da kind naar Gent geweest en as zouder thuiskwamen - 't es maar aardig om zeggen -, 't vielen daar stikken uit da kind zijn poepke. En 't was te late, 't had hem gezet; 't kind stierf en de moeder stierf. En de restant daar gaan we nie over klappen.

(De Weerdt Octavie, 75 j., herbergierster, Munkzwalm)















 

Heksen maken muziek

We kwamen ne keer van de kirmes te Nederzwalm en mijn moed'r zei: "Maar jonk, hoorde gij dat ook?"
'k Zegge: "Ba, ja'k, 'k hore kik datte".
En as me wouder aan diene Sassen boom kwamen, ze zaten daar op trompetten en 't en was daar niet te zien!
En ajaai, we waren wouder abij (= bijna) doodgelopen van d'eeuwige schoutte (= schrik)!

(De Weerdt Octavie, 75 j., herbergierster, Munkzwalm)
Hekserij teniet gedaan

     Wolder hân een kind da ziek was en alle dagen den dokteur bijgevraagd en niet aan te doen!
     En mijnen baas gingt bij de paters hein - da was in den oorloge van viettiene -.
    
En binst dienen middelen tijd zitten mijn dochter en ik te wassen. En al mee ne keer, 't geeft daar 'tonzen toch ne slag in huis!
     "Ach Here mensen", zei'k, "nen bom!"
     Ik koam'in huis - en 't es zo waar as da glas da'k hier in mijn handen nou pakke se - de stoofplattiene, mee azo twee oren aan, stond vanachter op de buize, opengeklakt!
     En da gebeurdege djuust binst da mijnen baas ginder bij de paters binnen was. En ze vriegen ginder aan mijnen baas:
     "Ha, wat doeë gij van stiel?"
     "Ha, menere", zei't hij, "'k ben ekik ne smed van stiel".
     "En hette gij niet gezien?"
     "Ja'k menere", zei't hij, "uit de stove es een grote padde gekropen".
     "Amaai, mijne jongen", zei diene patre, "g'hebt ze doodgesmeten, maar ge zoudt ze beter verbrand  hèn", zei't ie.
     Ewel, negen dagen en hân me geen ruste en den elfsten dag zat er een padde op ons zulle (= dorpel), veel groter as mijn hand, en 'k gee ze t'eten en 'k was gered

(De Weerdt Octavie, 75 j., herbergierster, Munkzwalm)

Van heksen en padden

In mijn jonge jaren weundeg'er daar een ouw vrouwe mee een jonge dochter bij en die mensen hân nen naam da ze kosten toveren. En der zijn der veel die nog gezien hên da z'in de Groenstrate nie en koesten passeren van de puiten en de padden dien der liepen. En da was van ouder werk.

(Pede Kamiel, 65 j., landbouwer, Rozebeke)

Betoverd vee

     Ik hê mijn schoonmoeder dikkels horen vertellen dat 't bij haar nog getoverd hâ.
     As z'older koeien bonden, 's navens hein, 's nuchtings liepen older koeien a'maal weer los, en pertank (= nochtans) ze waren gebonden mee de sterkste keten die ge maar en koest vinden.
     En mee dat 't daar zo wreed toverdege, - z'en koesten geen een viggen ne meer houên ook -, ze gingen bij de paters. En de paters kwamen en ze gingt der naar Boembeek omme, en ze moest ze lein. En as ze toekwamen newaar, 't zweet liep van older wezen. En ze gingen eerst dorsen in de schuren mee de vlegels en tans ontstoken ze 't licht en ze deën gewijd zout in older konkee ( = petrolrumlamp, naar het Fr.'quinquet') en tans gingen ze rond hein.
     En ze moest zij tans die paters naar de statie lein, da was naar Windeke en ze most van al dien tijd geen woord spreken. As z'een woord tost spreken hein, was dat ontdaan. En ze zweettegen toch, dat 't zweet older wezen afliep. En 't heeft gedaan geweest.

(Flamand Maria, 48 j., huishoudster, Munkzwalm)

Tovenaar geeft slaag

In Bost was ter daar ook enen waar da ze schou af waren veur zijn toeren newaar. En diene vent koest toveren. Op ne keer in een staminee, 't waren der daar eenste die van ouderen neuze maaktegen tegen hem. En ie en zei niét, maar as ze buiten kwamen ze wieren zodanig oversmeten da ze potverdomme lijk lam waren! En z'en zagen niemen nie, maar godsgenadig smijten.

(Cornil Oscar, 69 j., Roborst)

 

Duivel neemt reuzepassen

't Waren daar twee goê vrienden dien bijeen waren hein, in een huis. En dienen enen - da was Sies Sertenk - zei dat ie koest toveren. En ie zei tegen dienen anderen: "Wilde gij ne keer op mijn voeten staan. Wezullen ne keer naar Bost vliegen", zei't ie, "maar ge moet zien da'e op mijn voeten blijft staan", zei't ie.
En dieën andere mens en tost daar natuurlijk niet op staan, op die voeten.
"Awel", zegt ie Sies Sertenk, "we gaan een wettementspel aangaan, wie dat er ginder den eersten gaat zijn", zei't ie.
En 't goot water mee g'hele beken. En ze gingen een wettementspel aan hein. Maar die ginder den eersten was, wàs Sies Sertenk, zo droge, zo droge as iet! En die andere dien daar toekwamen, waren zo nat, zo nat dat 't water uit older lijf liep!
En alleman was daar schou van hein, omdat hij azo koest toveren.

(Reynaert Camilla, 50 j, huishoudster, Munkzwalm)

De duivel doet voorspellingen en verdwijnt

Op ne keer, Sies Sertenk stond op een brugge en ie zei: "Awel, veur ouder te tonen dat 'k iet kan", zei't ie, "zulde golder binst oldere leeftijd", zei 't hij, "beestsies in de lucht zien vliegen", zei't hij, "en daar zillen mensen inzitten", zei't hij - da was op de vliegers. "En de wereld zal vergaan" - 'k hoor'hem dat nog altijd zeggen, ie hà azo nen baard hein - "en de wereld zal vergaan in 't vier", zei't hij. "En sé", zei't hij, "ge ziet mij hier staan zè", zei't hij, "en nou en zieë mij niet mee zè!" zei't ie.
En't en heeft 'n nooit gene man ne meer gezien. En da es waar gebeurd.

(De Weerdt Octavie, 75 j., herbergierster, Munkzwalm)

Goor
     Er woonde in Munkzwalm een man die de naam had. Hij heette Goor. Er waren er veel schui
* van. Mijn vader zei: "Ik durf mij plat leggen op de vloer en hij mag een hele dag met mij toveren".
     Maar nu, hij had eens Goor zijn land bewerkt. Goor had maar één koe, hij kon zijn land niet bewerken. En mijn vader ging helpen en hij wil zijn eg pakken. En hij komt ermee en plots heeft hij zo'n pijn in zijn rug dat hij niet meer kon gaan. Hij komt zo thuis gesukkeld en hij zegt: "Goor heeft mij betoverd. Als ik zo bijgelovig zou zijn, ze zouden zeggen dat ik betoverd ben".
     Maar er waren er veel schui van, van Goor
**. Dat was een schoenmaker.

*   schui (dial.) = bang
**
Goor: Gories Nie was in Mater een vrouw die leefde in de tweede helft van de 19de eeuw, begin 20ste eeuw - ze woonde in een klein huisje vlakbij het kasteel; zij hield van kinderen en gaf ze af en toe een snoepje. Eigenlijk was het dus niet, zoals meestal gezegd wordt, 'Mie' maar Nie. Ze was de kleindochter van Gregorius Minnaert en het tweede kind van Eugeen Minnaert (o Mater 15/11/1818 - + Mater 9/6/1902) en Eugenie Heulen (o Mater 30/4/1821 - + Mater 24/4/1908) (1).
            Er bestaan 10-tallen verhalen rond deze 'schoue mete' die bijzondere krachten zou gehad hebben. Munkzwalm had indertijd ook zijn Goor, nl. Gregoir Minnaert, een schoenmaker-cafébaas van herberg 'In de Leerze', die men bijzondere krachten toedichtte...

(1) Bron: Spoken, heksen, waarzeggers en dies meer - Michel Gyselinck, in VVF Vlaamse Ardennen, 16de jg 2008, nr 37, pp. 24-26
 

Arcule

     Arcule was een grote, geblokte vent en ik heb nog gezien dat hij in een café, een ton van honderd vijftig kilo en ik heb nog gezien dat hij in een café een ton van 150 kilo met zijn mond opnam.
    
Op een bepaalde dag was er kermis in Munkzwalm en Arcule was geen ruziemaker. Hij werd lastiggevallen en de gendarmerie kwam ertussen en ze gingen hem pakken. Maar hij lachte daarmee en hij gaf ze alle twee een plak op hun gezicht dat ze op hun gat zaten. En ze begonnen met schunnigheid, dat ze genoodzaakt zouden zijn geweest op hem te schieten. En hij zei: " 'k Zal meegaan". En hij ging mee met de trein en als ze te St-Denijs-Boekel kwamen zei hij: "Jongens, 'k ben hier ver genoeg, ik ga hier naar huis". En hij wrong de ketens af. Dat heb ik zelf niet gezien maar ik weet ervan. Dat was een échte atleet.
     In die café nam hij soms een stoel en zette er drie, vier mannen op en hij stak dat omhoog alsof het een plaatje was van een cent. Hij is misschien een jaar of zestig dood (overleden in de jaren 1920, n.v.d.a.). Zijn skelet is bij de universiteit van Leuven. Hij heeft dat verkocht.
 
Een geschopte kat wreekt zich...

     Mijn vader  gingt'ne keer uit mee kameraden hein, en onder de bane - da was al late -, zegt ie nog tegen zijn kameraden: 'Oppassen, da ge moest een katte zien, nie naar schuppen zille, want 't zou keunen gebeuren dat m'er ons nie goe mee en hein".
     En al mee ne keer, ze zien daar een katte en 't schupt er enen naar en 't kwamen der wel duust in de plaatse!

(Reinaert Camilla, 50j., huishoudster, Munkzwalm)    

Een wit konijntje aan't kerkhof

     's Aovies, we gingen azo altijd mee nen hoop jongies gaan spelen aan 't kerkhof en alle navies kwaamt er daar een wit konijntse , een sneeuwwit konijntse. En as da konijntse daar kwaamt en ge wikdeget van onder 't hekken pakken, g'en koest niet. En da verdween en alle navies kwaamt dat daar weere.

(De Jaegher Christine, 60j., huishoudster, Munkzwalm)
 

LITERATUUR

D'haeze L - Sagenverzameling in vijftien Zuid-Oostvlaamse gemeenten, Leuven, 1975.
Desmyter A - Bijdrage tot de studie van de volkssagen in Zuid-Oostvlaanderen: Oudenaarde en Bevere, Gent, 1955.
De Geeter R - Bijdrage tot een sagenboek van Zuid-Oostvlaanderen, Gent, 1952.
De Winne C - Volkscultureel erfgoed uit Groot-Zottegem, Leuven, 1999.
Kestelyn M.P. - Verzameling van sagen uit de Vlaamse Ardennen, Leuven, 1964.
'Wase Heksensagen – deel 6: de typering van de heks en de kwade hand' – Nieuwkerkse Kronieken, Blad van de Heemkundige Kring Nieuwkerken 200/700, jg.11 nr 2 (juli 2006)
'Heksen en religie in de middeleeuwen – Profielwerkstuk – Anna Bolten - 2003
  

 Laatste update vrijdag 05 december 2008  

Terug naar       
Mijn Homepage     Homepage Zwalm  Homepage Munkzwalm